Er ligt een wereld van verschil tussen de wijze waarop juristen in de letselschade praktijk aankijken tegen het recht op smartengeld en de manier waarop dit door slachtoffers wordt beleefd.
Eigenlijk gaat het al direct fout bij aanvang van de zaak. Slachtoffers hebben een heel andere definitie van smartengeld dan juristen. Velen van hen denken dat het woord “smartengeld” staat voor de totale compensatie van hun schade, dus ook de materiële schade. Zij koesteren daarbij vaak (te) hoge verwachtingen en denken dat de praktijken uit Amerika ook in Nederland gelden. Wie eenmaal, om met de woorden van Hartlief1) te spreken, door de poort van aansprakelijkheid is gekomen (en dat zijn slechts enkelen), zal ondervinden dat wat voor hem als leek heel normaal is, in letselschadeland heel anders werkt. Hem moet worden uitgelegd dat ons rechtssysteem minder ruimhartige vergoedingen redelijk acht dan in de Verengde Staten gebruikelijk zijn. Dat brengt mee dat een slachtoffer al bij aanvang van de zaak heel wat teleurstellingen moet incasseren. Hij krijgt te horen dat hij zijn dure artikelen, zoals iPhone, kleding of bril die door het ongeluk kapot zijn gegaan, niet terug krijgt, maar dat hij zich tevreden moet stellen met de dagwaarde daarvan. Hij verneemt dat voor gemaakte reiskosten geen gebruikelijke kilometervergoeding wordt betaald, maar slechts een bedrag van 0,24 cent op basis van de variabele autokosten.