Smartengeld anno 2016

 
Auteur: 
Prof. mr. S.D. Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht Erasmus Universiteit Rotterdam, hoofdredacteur Verkeersrecht.

In het Smartengeldboek 2016 zijn de afgelopen jaar aan de redactie toegezonden en anderszins door de redactie vergaarde uitspraken opgenomen. Opvallend is de toename in het aantal uitspraken van strafrechters waarin aan benadeelde partijen smartengeld is toegewezen, hier en daar met vrij uitgebreide motiveringen. Nog opmerkelijker is dat het de strafrechter is geweest die in 2015 het plafond van € 150.000 heeft durven doorbreken: voor het eerst werd in Nederland door de rechter € 200.000 aan smartengeld toegewezen.
Hierna volgt een korte signalering van enkele ontwikkelingen ten aanzien van het smartengeld die het opmerken waard zijn. Zij kunnen worden gerubriceerd aan de hand van de drie kernvragen van het smartengeld: Waarom? Wanneer? En hoeveel?

Waarom smartengeld?

Door het accepteren van een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade tracht de wetgever het logischerwijs onmogelijke te benaderen: vergoeding van ‘tranen met duiten’. De ratio daarvan is destijds treffend verwoord door de toenmalige Minister van Justitie Van Agt:

‘Het ware zoveel beter indien in het verkeer tussen mensen toegebracht leed kon worden goedgemaakt door het aandragen van vreugde. Aangezien dat echter in veel, zo niet de meeste gevallen niet kan, vallen wij terug op het substituut van de materiële schadeloosstelling. Hieraan is wellicht nog deze justificatie te geven. Die materiële schadeloosstelling is de enige methode om de gelaedeerde – die men rechtstreeks geen vreugde kan verschaffen – in staat te stellen zelf vreugde te vinden door wat hij zoal met die schadevergoeding kan doen.’1)

Vandaag de dag is het smartengeld uit het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht niet meer weg te denken als compensatie van wat anderszins niet meer is goed te maken en als genoegdoening voor wat iemand is aangedaan. Nog bescheidener – maar daarmee niet minder betekenisvol – lijkt de rol die het smartengeld wordt toegedacht bij wat zich redelijkerwijs ook niet meer laat compenseren: de ernstige verwonding of het verlies van een naaste. Het smartengeld wordt dan veeleer gezien als een juridische erkenning van leed en verlies.

Naast deze functies van compensatie, genoegdoening en erkenning wordt de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade steeds vaker ingezet als ‘burgerwacht’: de vergoeding strekt ertoe een schending van een fundamenteel recht te markeren, ook als die (verder) niet tot substantiële schade heeft geleid. Naast klassieke verschijningsvormen in deze categorie, zoals schending van eer en goede naam, vervult het smartengeld in dit opzicht bijvoorbeeld een rol in geval van aantasting van de persoonlijke levenssfeer of schending van procedurele rechten, zoals het recht om binnen een redelijke termijn een rechterlijke uitspraak te krijgen.2)

Dergelijke rechten kunnen overigens niet alleen aan natuurlijke personen, maar ook aan rechtspersonen toekomen, hetgeen verklaart dat ook zij dan een aanspraak op smartengeld kunnen hebben.3)

Hoewel het recht op smartengeld uit het huidige aansprakelijkheidsrecht niet meer is weg te denken, heeft de aanspraak erop toch nog een bijzonder vermogensrechtelijk karakter. Dat blijkt uit art. 6:106 lid 2 BW, dat aan overgang en beslag nadere eisen stelt. Het hierna te noemen ‘Wetsvoorstel affectieschade’ voorziet op dit punt in enkele wijzigingen. Het voorstel beoogt de bepaling over te brengen naar art. 6:95 lid 2 BW, zodat zij ook gaat gelden voor aanspraken op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade die hun grondslag niet in art. 6:106 lid 1 BW maar elders in de wet vinden. Daarnaast blijft de mogelijkheid tot overgang onder algemene titel beperkt en blijft de vordering niet vatbaar voor beslag.4) In de kern blijft de sterk bekritiseerde – en in omringende landen afgeschafte – bepaling niettemin bestaan. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in de wens om de aanspraken van naasten niet te zeer te laten stapelen.

Wanneer smartengeld?

Met art. 6:95 BW stelt de wetgever buiten twijfel dat de aanspraak op smartengeld op een wettelijke bepaling moet berusten. Hoewel op verschillende plaatsen en in verschillende wetten een aanspraak op smartengeld is verwoord, vormt art. 6:106 BW in de praktijk veruit de belangrijkste grondslag, omdat het in de belangrijkste gevallen (lichamelijk en geestelijk letsel, schending van eer en goede naam en van andere persoonlijkheidsrechten) voorziet. De daarin verwoorde categorieën vormen naar het systeem van de wet weliswaar een gesloten stelsel, maar de rechtspraak heeft laten zien er goed mee uit de voeten te kunnen.5) Zo werd bijvoorbeeld in het afgelopen jaar geen smartengeld toegewezen aan nabestaanden van slachtoffers in Sulawesi,6) wel aan psychiatrische patiënt die te lang moest wachten op een rechterlijk oordeel,7) kan een langdurig en zeer ernstig gestalkt slachtoffer een beroep doen op de ‘oogmerk-categorie’ van art. 6:106 lid 1 onder a BW,8) en werd iemand wiens familiekiekjes waren vernietigd een vordering ontzegd, omdat de foto’s verloren waren gegaan bij de vernietiging van kinderpornografisch materiaal.9) Interessant is natuurlijk de vraag of de door de Groningse aardbeving benadeelden een aanspraak op smartengeld toekomt.10)

Een door de wetgever destijds uitdrukkelijk gekozen – maar ook toen al niet onomstreden11) – grens ligt evenwel in het verdriet van anderen om het letsel of overlijden van een naaste: dat komt op grond van het limitatieve stelsel van art. 6:107 en 108 BW niet voor vergoeding in aanmerking. De Hoge Raad heeft aan dat stelsel ook niet willen tornen.12) Een enkele feitenrechter wel.13) Deze begrenzing leidt er in de praktijk toe dat in de rechtspraak de grenzen ervan worden verkend: de naaste die aannemelijk kan maken dat ook jegens hem onrechtmatig is gehandeld, kan wegens zijn eigen kwetsing aanspraak maken op smartengeld. Deze thematiek, die wat onbeholpen wordt aangeduid met ‘shockschade’ (met een ‘shock’14) heeft het niets van doen en met schade eigenlijk ook niet15)), blijft in de rechtspraak de gemoederen bezighouden.16)

De voor het smartengeld stellig meest relevante ontwikkeling in 2015 ten aanzien van de vraag 'Wanneer smartengeld?' was de indiening op 17 juli 2015 van het ‘Wetsvoorstel affectieschade’,17) dat aan de hiervoor beschreven begrenzing een einde beoogt te maken. Het voorstel voorziet in aanvullingen op art. 6:107 en art. 6:108 BW die een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade bieden aan naasten van een ernstig gewonde of aan nabestaanden van een overledene. De regeling bevat een opsomming van naasten aan wie een dergelijke aanspraak toekomt, voorzien van een hardheidsclausule. De omvang van de vergoeding bedraagt een bij Algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, aan de hand van het type geval (letsel of overlijden), de nabijheid van de relatie en de verwijtbaarheid van de schadeveroorzakende gebeurtenis variërend van € 12.500 tot € 20.000.18) Hoewel voor een dergelijk voorstel in de branche de handen al eerder op elkaar leken, is het eerdere voorstel in 2010 jammerlijk gestrand in de Eerste Kamer.19) Het valt te hopen dat het nu – eindelijk – anders zal lopen.20)

Hoeveel smartengeld?

Hoewel de omvang van ander nadeel dan vermogensschade naar zijn aard per definitie niet in geld kan worden uitgedrukt, laat de vergoeding ervoor zich wel in geld begroten. Om tot uitdrukking te brengen dat dit geen rekenkundige aangelegenheid is, maar vooral een oordeel ‘uit het hart’ is, heeft de wetgever de rechter opgedragen de omvang van het smartengeld ‘naar billijkheid’ vast te stellen. Waarschijnlijk is er bewust niet gekozen voor ‘redelijkheid’ als criterium, omdat dat veeleer een rationeel proces suggereert, en dat is het nauwelijks. In de praktijk vervult de onderhavige ‘gids’ een onmisbare rol bij de vaststelling van het smartengeld omdat hij inzicht biedt in de keuzes die door rechters in eerdere gevallen zijn gemaakt.

Het nadeel van het hanteren van een verzameling in het verleden genomen beslissingen als gids kan zijn dat het ertoe leidt dat toekomstige ontwikkelingen door beelden uit het verleden worden belemmerd. Dat nadeel hoeft zich overigens niet te verwezenlijken, zo leren het Duitse en het Engelse recht, waarin de rechter – die ook daar in beginsel werkt met gevalsvergelijking – uitgesproken en actieve bijdragen heeft geleverd aan de ontwikkeling van de omvang van het smartengeld. In het verleden heeft de Hoge Raad zich op dit punt nogal afzijdig gehouden21), maar intussen lijken feitenrechters – daartoe aangemoedigd door wetenschappers22) – expliciet tot enige verandering bereid.23) Waar de civiele rechter schoorvoetend tot enige verhoging van bedragen lijkt te komen, heeft een strafrechter het in 2015 aangedurfd om eens door het 'magische plafond' van € 150.000 te schieten en een bedrag van € 200.000 toe te wijzen aan een benadeelde partij die het slachtoffer werd van zeer ernstige brandwonden.24) Die ontwikkeling lijkt ook een motor voor hogere schikkingsresultaten buiten rechte.25)

Ondertussen wordt bovendien onder de vleugels van de Letselschade Raad door de branche gewerkt aan een beter inzichtelijke wijze van vaststelling van het smartengeld bij letsel. Dat is overigens geen sinecure, omdat het billijkheidscriterium nu eenmaal weinig handvatten biedt voor een beredeneerd model van smartengeldvaststelling. Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door rechtspraak waaruit blijkt dat toch betrekkelijk voor de hand liggende kwesties, zoals de vraag naar de betekenis van de duur van het lijden voor de omvang van het smartengeld, nog allerminst zijn uitgekristalliseerd.26)

Oproep aan eenieder

De ontwikkelingen in het afgelopen jaar hebben het smartengeld in Nederland weer een stukje verder gebracht. Daarvan biedt de onderhavige smartengeldgids verschillende illustraties. Het smartengeld kan zich niet verder ontwikkelen, en deze gids kan niet bestaan, zonder ieder die beroepshalve betrokken is bij de vaststelling van smartengeld. De redactie nodigt u daarom niet alleen uit om nieuwe uitspraken over smartengeld voor een volgende editie in te zenden, maar ook om bij te dragen aan de ontwikkeling van het smartengeld, door in procedures uw gedachten erover zoveel mogelijk te articuleren en daarvan verslag te doen. Dat geeft benadeelden inzicht in de juridische beoordeling van hun situatie en biedt ook de kans om de deur naar nieuwe ontwikkelingen te openen.

1. TM, PG Boek 6, p. 377.
2. Vgl. voor de uitdrukkelijke erkenning van een dergelijke aanspraak, ook in het civiele recht, HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525 m.nt. P.C.E. van Wijmen & W.D.H. Asser. Zie over de inzet van schadevergoeding ter handhaving van procedurele rechten bijv. ook I. Giesen, ‘Herstel als er (juridisch) geen schade is: ‘integriteitsschade’ ' in E.C. Huijsmans, M. van der Weij (red.), Schade en Herstel, Oisterwijk: WLP 2014, p. 43-68.
3. Aldus uitdrukkelijk HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147. Reeds eerder in deze zin EHRM 6 april 2000, NJ 2000/612. Zie ook uitspraaknr. 1.519.
4. De tekst van het voorgestelde art. 6:95 lid 2 luidt: Het recht op een vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, is niet vatbaar voor beslag. Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.
5. Zie voor (toenemende) interpretatie door de strafrechter J. Candido & S.D. Lindenbergh, ‘Strafrechter en smartengeld, de civiele vordering in het strafproces als aanjager van een rechtsontwikkeling’, NTBR 2014/21.
6. Rb. Den Haag 11 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2449.
7. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345.
8. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2650, JA 2015/105.
9. Hof Den Haag 28 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:930.
10. Vgl. daarover E. Gijselaar, R. Rijnhout & J. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 805 e.v.
11. Zie bijv. reeds VV II, PG Boek 6, p. 377.
12. Vgl. uitdrukkelijk HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 m.nt. J.B.M. Vranken (Taxibus), r.o. 4.2.
13. Vgl. Rb. Rotterdam 18 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10164, NJF 2014/121, VR 2014/20 (uitspraaknr. 1.670).
14. Een plotselinge verwijding van de bloedvaten.
15. De crux ligt in de relativiteitsvraag; op het niveau van de schade gaat het gewoon om eigen (geestelijk) letsel.
16. Vgl. recentelijk bijv. Rb. Noord-Nederland 11 februari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:507 (uitspraaknr. 1.824), JA 2015/43 m.nt. M.R. Hebly (Vader Vaatstra); Rb. Den Haag 7 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3937 (vader doodgereden kind; wel confrontatie, nog geen ‘hevige emotionele schok’ of ‘geestelijk letsel’ (enkel door confrontatie met ongeval) vastgesteld). Zie ook R.J.P. Kottenhagen, ‘Vergoeding van shockschade, een update, Letsel & Schade 2015/2.
17. Voorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Kamerstukken II, 34 257).
18. Zie over dit voorstel in een eerder stadium A.J. Verheij, ‘Wetsvoorstel zorg- en affectieschade, Een evenwichtsoefening tussen hanteerbaarheid en individuele rechtvaardigheid’, VR 2014/95; S.D. Lindenbergh, ‘Op weg naar meer erkenning van naasten’, WPNR 2014, p. 855-857; R. Rijnhout, ‘Het consultatievoorstel zorg- en affectieschade, een beschrijving’, TVP 2014/4, p. 123-127; M. Hebly, I. van der Zalm & E. Engelhard, ‘Wetsvoorstel schadevergoeding zorg- en affectieschade, verbetering van de positie van slachtoffers en naasten’, AA 2015, p. 93-105. Zie ook de verschillende bijdragen in F.T. Oldenhuis & H. Vorsselman (red.), Derdenschade, Den Haag: BJu 2015.
19. Zie over de (wonderlijke) politieke lotgevallen ervan D.T. van Houwelingen, ‘Waarom heeft het Wetsvoorstel Affectieschade het Staatsblad niet gehaald?’, in: W.H. van Boom & S.D. Lindenbergh (red.), Politiek Privaatrecht, Den Haag: BJu 2013, p. 429 e.v.
20. De reacties in het overleg van de vaste commissie voor V&J zijn in ieder geval (soms gematigd) positief. Zie Kamerstukken II, 34 257, nr. 5.
21. Vgl. voor een nogal afstandelijke houding HR 8 juli 1992, NJ 1992/714 (AMC/O) en HR 17 november 2000, NJ 2001/215 m.nt. A.R. Bloembergen (Druijff/Bouw). Zie voor een poging tot verleiding om daarvan afstand te nemen N. Frenk & C. van Dam, ‘Stagnerende smartengeldbedragen, kan de Hoge Raad er wat aan doen?’, NJB 2012/2299.
22. Met name naar de bijdragen in de Verkeersrecht-special ‘De waarde van smartengeld’ (2013 afl. 7/8) wordt door rechters verwezen.
23. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:183 (uitspraaknr. 613, waarbij overigens wordt verwezen naar ECLI:NL:GHARL:2015:181), NJF 2014/115; Rb. Oost-Brabant 14 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4093 (uitspraaknr. 1.760), Hof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6223 (uitspraaknr. 1.767), JA 2014/124, Rb. Overijssel 17 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:7070 (uitspraaknr. 1.817) en Rb. Noord-Holland 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:9243 (uitspraaknr. 1.770).
24. Rb. Gelderland 11 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6968, 6969 en 6970 (uitspraaknrs. 1.893 en 1.894).
25. Zie voor een voorbeeld 'Ziekenhuis betaalt record aan smartegeld', http://www.nrc.nl/next/2015/11/20/ziekenhuis-betaalt-record-aan-smartege..., waarbij € 337.000,- werd toegewezen in geval van een gemiste diagnose van letale kanker.
26. Vgl. Rb. Overijssel 23 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:944 (uitspraaknr. 1.837), JA 2015/68 m.nt. M.S.E. van Beurden (54-jarige man loopt door aanrijding op zebra hoge dwarslaesie op en overlijdt drie maanden later).