Voorbeelden

 

Indien iemand letsel heeft opgelopen (lichamelijk en/of geestelijk) door de schuld van een ander, heeft men in principe recht op smartengeld. Al gauw denkt men dan aan de astronomisch hoge bedragen waarover in de media wordt bericht en die dan meestal in de Verenigde Staten door de rechter zijn toegewezen. Hierbij wordt echter uit het oog verloren dat het in die zaken vaak een vergoeding van alle schade betreft, dus ook die van bijv. het verlies van inkomen in de toekomst. In Nederland wordt smartengeld betaald naast de overige schade. De bedragen zijn dus niet te vergelijken met die in bijv. de Verenigde Staten.

De vergoeding van materiële schade wordt berekend op twee manieren: bij al gemaakte kosten gebeurt dit aan de hand van nota’s. Bij te verwachten schade in de toekomst wordt een schatting gemaakt met een afweging van risico’s. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar de geschatte overlijdensleeftijd. Factoren die een rol spelen bij de hoogte van het smartengeld:

• aard en ernst van het letsel (de belangrijkste factor);
• mate van geleden pijn;
• duur van het herstel;
• mate waarin het slachtoffer zich van zijn toestand bewust is;
• blijvende littekens en/of lichamelijke beperkingen en de invloed hiervan op werk, studie, relaties en vrijetijdsbesteding;
• leeftijd en geslacht. En heel soms:
• aard van de aansprakelijkheid (bijv. de mate van schuld bij de veroorzaker);
• vertraging bij de afwikkeling van schade.

De ANWB verzamelt al ruim vijftig jaar rechterlijke uitspraken waarin smartengeld is toegewezen in het boek Smartengeld. Deze uitspraken worden gerubriceerd naar het soort letsel. Letselschaderegelaars, advocaten, verzekeringsmaatschappijen, rechters en anderen die op een of andere manier te maken hebben met een vordering voor de vergoeding van de immateriële schade van een slachtoffer, raadplegen deze verzameling om enige indicatie te krijgen over het te vergoeden of te vorderen smartengeld.

Voorbeelden.

De toegewezen bedragen in de voorbeelden zijn geïndexeerd naar september 2016 (bijv.: toegewezen in januari 2015: € 1.000, geïndexeerd naar september 2016 komt dat neer op € 1.025; zie link naar CBS-site)

Smartengeld na ongeval:

nr. 1926 | vrouw | 38 jaar | eigenaresse kledingzaak | 15-08-1997 | € 6.012 (Whiplash)

Als gevolg van een verkeersongeval heeft zij een whiplash opgelopen. De deskundige heeft verklaard dat haar klachten en beperkingen ten aanzien van duwen, dragen, tillen, trekken, bovenhands werken etc. passen in het beeld van een post-whiplashsyndroom, met daarbij een BI-percentage van 1%. Ze heeft verder moeite met het verdelen van haar aandacht en het ontbreken van structuur, en ook moet zij de mogelijkheid hebben om notities te maken. De deskundige heeft overigens aangegeven dat de subjectieve ernst van de beleving van haar klachten mede wordt bepaald door premorbide factoren en persoonlijkheidstrekken.
Bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld overweegt dat de Rb. dat zij het eens met de verzekeraar dat op basis van het BI-percentage een bedrag van tussen € 3.000 en € 4.500 zou volstaan, maar in dit geval heeft de Rb. ook laten meewegen dat de vrouw door het ongeval ongeschikt is geworden voor het werk in haar eigen onderneming (een kinderkledingwinkel) die zij net was gestart; zij heeft, in haar woorden, “haar droom moeten opgeven”. De Rb. ziet dit als aantasting van haar persoon waarvoor een zekere vergoeding op zijn plaats is.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum ongeval, 15-8-1997)

nr. 1.921 | man | politieambtenaar | 04-08-2013 | € 2.506 (Arm- en handletsel)

Met zijn motor, zijn vrouw zat achterop, betrokken geraakt bij een verkeersongeval dat werd veroorzaakt doordat een fietsster hem geen voorrang verleende toen zij de straat overstak. Hij moest hierdoor een noodstop maken en kwam in de middenberm ten val. Als gevolg van die val had hij het volgende letsel opgelopen: zijn linkerschouder was uit de kom, hij had pijn in zijn linkerbovenarm, een verwonding aan zijn knie, een brandwond op zijn linkerarm, zijn linkerpink was gebroken, zijn ringvinger gekneusd, de middelvinger van zijn rechterhand ingedeukt en zijn overige vingers waren gekneusd, zijn rechterbenedenhoektand was afgebroken en hij kreeg een artroseaanval in zijn rechterhand tussen duim en wijsvinger. Hij is ruim 3 maanden arbeidsongeschikt geweest en kon in die periode zijn werkzaamheden bij de verkeerspolitie niet uitvoeren. Inmiddels is sprake van een medische eindtoestand.
Aan de hand van de reflexwerking van art. 185 WVW oordeelt de rechter dat geen sprake was van overmacht. Vervolgens is gekeken naar de causaliteitsverdeling. De door de fietsster gemaakte verkeersfout door geen voorrang te verlenen weegt volgens de rechter zwaarder dan het feit dat de man onvoldoende oplettend is geweest. De rechter komt daardoor tot een verdeling van 80% aansprakelijkheid van de fietsster en 20% van de man zelf. Vanwege de financiële positie van de fietsster en gezien het feit dat zij niet verzekerd was, brengt de billijkheidscorrectie geen verandering in deze verdeling. Oftewel: 20% eigen schuld bij de man.
Vanwege de periode van ruim 3 maanden arbeidsongeschiktheid en omdat hij zich over een langere periode onder behandeling heeft moeten stellen vanwege het opgelopen letsel, komt de rechter tot het toegewezen bedrag aan smartengeld.
Zie voor de uitspraak waarbij aan zijn vrouw smartengeld is toegekend uitspraaknr. 1.922.
(vanwege 20% eigen schuld diende aan hem oorspronkelijk € 2.000 te worden uitgekeerd; te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum ongeval, 4-8-2013)


Smartengeld na medische fout:

nr. 613 | vrouw | 79 | mantelzorgster | € 68.917 (Hoofd-, hersen- en zenuwletsel, psychische schade)

Zij is thuis van de trap gevallen, op haar hoofd terecht gekomen, in het ziekenhuis opgenomen, waar op een CT-scan een hematoon in de hersenen werd vastgesteld. Ondanks haar verslechterende situatie is te lang gewacht met het waarschuwen van een neuroloog, waardoor een subduraal hematoom heeft kunnen ontstaan. Gevolg: cognitieve beperkingen, waaronder woordvindingsproblemen, onvermogen om complexe handelingen uit te voeren en oogstoornissen. Verder halfzijdige verlamming en rolstoelafhankelijk. Invaliditeitspercentage tussen 73% en 94%. Ze heeft ruim een maand in het ziekenhuis gelegen, daarna circa 5 maanden in een verpleegtehuis. Door de medische fout is een vitale, normaal en zelfstandig functionerende vrouw veranderd in een vrouw die volledig afhankelijk is van anderen en 24 uur per dag verzorging nodig heeft.
Het hof heeft acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en concludeert dat een smartengeldvergoeding van € 61.050,- in beginsel passend is, gezien de aard van het letsel en de gevolgen ervan, en heeft gelet op haar leeftijd toen het medisch incident haar overkwam. De hogere bedragen smartengeld zijn bijvoorbeeld toegewezen na mishandeling (een opzetdelict), betreffen veel ernstiger letsel en in het algemeen is het toegekende smartengeld hoger naarmate de leeftijd van de benadeelde lager is. Omdat het hof ook rekening wil houden met de in de literatuur gevoerde discussie over de hoogte van het smartengeld, zal het hof het voornoemde bedrag met 10% verhogen, zodat het toe te wijzen smartengeld als billijke vergoeding neerkomt op een bedrag van oorspronkelijk € 67.155,-.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum intreden schade, 8-1-2006; gedeeltelijke vernietiging Rb. Utrecht d.d. 29-2-2012, rolnr. 11-625, die oorspronkelijk € 100.000,- toewees; op 12-5-2015 heeft het hof eindarrest gewezen, zie ECLI:NL:GHARL:2015:3369)

nr. 1984 | vrouw | € 1.076 (Belemmerd spraakvermogen, mondletsel)

In de periode van december 2003 tot en met januari 2004 heeft zij een uitgebreide sanering van haar gebit ondergaan op grond van een met een tandarts gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst. De sanering bestond eruit dat op het ondergebit kronen werden geplaatst en op het bovengebit gouden kappen met (uitneembare) frameprotheses. Doordat zij een ernstige vorm van tandartsenangst had, was haar gebit slecht bijgehouden. Bovendien moest vanwege die angst het merendeel van de uitgevoerde handelingen plaatsvinden onder volledige narcose. Na uitvoering van de tandheelkundige aanpassingen bleek bij de vrouw sprake te zijn van een onjuiste beethoogte in die zin dat de lengte van de tanden in de boven- en onderkaak te groot was. Daardoor werden bijten, kauwen, spreken en slikken belemmerd. Na vergeefs pogingen te hebben gedaan om het probleem met bijslijpen te verhelpen, heeft de tandarts haar verwezen naar een ziekenhuis voor verdere behandeling. Daar heeft een andere tandarts na vaststelling dat de beethoogte 5 mm te hoog was, die hoogte verlaagd.
In de daarna gevoerde procedure wees Rb. Maastricht (onder meer) een smartengeldvergoeding toe. Hof Den Bosch vernietigde dat vonnis. Naar aanleiding van de door de vrouw ingestelde cassatie heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd (zie ECLI:NL:HR:2014:217) en verwees de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar hof Arnhem-Leeuwarden. Ook dat hof is tot de conclusie gekomen dat de tandarts is tekort geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Het hof overwoog daartoe onder meer dat een behandeling met als resultaat een beethoogte met een afwijking van 5 mm te hoog ten opzichte van de natuurlijke beethoogte nadat de beet al dramatisch was ingeslepen, niet valt binnen de marge van de wijze waarop een redelijk handelende en redelijk bekwame tandarts de behandeling zou hebben uitgevoerd.
(conform Rb. Maastricht (voor wat betreft het smartengeld) d.d. 29-6-2011, zaaknr. 114825; te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15-7-2004)


Smartengeld na mishandeling:

nr. 2003 | man | 42 jaar | metselaar | 20-02-2011 | € 15.000 (Been- en voetletsel)

Toen hij na het uitgaan naar buiten ging, ontstonden daar kleine opstootjes. Hij zag dat zijn broer werd aangevallen door iemand. Omdat hij zijn broer wilde verdedigen, is hij uiteindelijk in gevecht geraakt met iemand, waarbij over en weer klappen vielen. Hij kreeg daarbij een klap op zijn achterhoofd en toen werd het zwart voor zijn ogen. Hij is op de grond gevallen. Terwijl hij weerloos op de grond lang, werd er op hem doorgeslagen en geschopt. Hij voelde daarbij pijn en deed niets meer. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat hij een hersenschudding en een kneuzing in de onderbuik had. Verder was zijn rechter onderbeen gebroken en had hij letsel aan zijn linkeroog. Gedurende 5 dagen na de mishandeling had hij last van geheugenverlies. De volgende dag is hij geopereerd aan de onderbeenbreuk waarbij een pen in zijn been is gezet. Hij mocht zijn been niet belasten en moest gebruik maken van een rolstoel. Ruim een half jaar later is hij opnieuw geopereerd en werd een schroef verwijderd. In december 2011 is hij voor de derde keer geopereerd waarbij een mergpen werd verwisseld. Omdat er onvoldoende botaangroei was, is hij behandeld met botgroeistimulator. In januari 2013 is hij voor de vierde keer geopereerd waarbij de mergpennen uit het onderbeen zijn verwijderd. Op 27-3-2014 is hij voor de vijfde keer geopereerd waarbij er osteosynthesemateriaal is aangebracht ter hoogte van zijn kuitbeen.
Er resteren belastingafhankelijke pijnklachten in zijn rechterenkel, gepaard gaande met een functiebeperking en een gevoelsstoornis met gering krachtverlies ter hoogte van het distale onderbeen. Hij ondervindt geringe beperking bij staan, geringe temperatuursintolerantie, matige beperking bij lopen, hurken, knielen, traplopen en lopen op ongelijk terrein, en ernstige beperking bij rennen. Hij heeft in september 2014 zijn werkzaamheden voor 32 uur per week, verdeeld over 4 dagen, hervat.
Als gevolg van de mishandeling kan hij zijn hobby’s hardlopen en wandelen niet meer uitoefenen en ook niet langer lid kan zijn van het bestuur van een carnavalsvereniging en van de Raad van Elf. Daarnaast heeft hij psychisch letsel opgelopen als gevolg van de mishandeling. Hij heeft bijna een jaar in een rolstoel gezeten en kon pas na de zomer van 2012 zonder krukken lopen. Gedurende 2 jaar heeft hij klachten ervaren die horen bij een schedel-/hersentrauma.
De Rb. heeft geoordeeld dat sprake was van 20% eigen schuld, omdat hij zich had bemoeid met en had deelgenomen aan de vechtpartij. In de strafzaak was reeds € 5.000,- smartengeld toegekend; dit bedrag komt in aftrek op de vergoeding die thans is toegekend.
(betreft tussenvonnis, er is doorgeprocedeerd over verlies inkomen; ivm 20% eigen schuld dient er in totaal € 12.000,- te worden vergoed)

nr. 1942 | jongen | 18 jaar | scholier | 29-11-2014 | € 1.019 (Schouder-, borstkas- en wervelkolomletsel)

Tijdens een voetbalwedstrijd is een worsteling ontstaan tussen hem en iemand van het andere team. De aanleiding is onbekend gebleven. Tijdens de worsteling is hij op een bepaald moment zeer ongelukkig ten val komen. Volgens hemzelf doordat de tegenspeler hem middels een heupworp op de grond heeft geworpen, maar dit feit is niet vast komen te staan wegens uiteenlopende getuigenverklaringen. Hij is hard op zijn hoofd terecht gekomen. Vervolgens heeft de tegenstander hem, toen hij weerloos op de grond lag, met kracht met zijn vuist in zijn gezicht gestompt. Als gevolg van deze mishandeling heeft hij ernstig letsel opgelopen, waaronder een breuk van het doornuitsteeksel van nekwervel C4 en een breuk van de sluitplaat van C3 in combinatie met een forse zwelling van de weke delen aan de voor- en achterkant van de wervelkolom. Daarnaast was sprake van een myelopathie (aandoening van het ruggenmerg, veroorzaakt door druk van de omliggende zwelling op het ruggenmerg). Hij heeft hiervoor enige tijd een brace gedragen ter fixatie van hoofd/hals/nek en borst. Verder heeft hij 7 dagen in het ziekenhuis gelegen, is hij daarna intensief thuis verzorgd door zijn ouders, heeft hij 3 maanden moeten verzuimen van school en is hij zijn bijbaantje verloren. De tegenspeler is bij strafvonnis van Rb. Gelderland loc. Arnhem op 26-5-2015 (zie ECLI:NL:RBGEL:2015:3232) veroordeeld voor eenvoudige mishandeling, te weten het stompen in het gezicht van het slachtoffer.
Op basis van een deskundigenrapport is geconcludeerd dat het letsel aan hoofd/nek en romp niet is ontstaan door de stompen in zijn gezicht, maar door de ongelukkige val op de grond, terwijl van die val juist de oorzaak niet bekend is geworden. Dat betekent volgens het hof dat geen sprake is van rechtstreeks geleden schade door het strafbare feit (in de zin van art. 51a lid 1 Sv). De stompen in het gezicht zijn immers (pas) gegeven toen hij al op de grond lag en hij dus het letsel van hoofd/nek en romp al opgelopen had, zo volgt uit de rapportage. Nu evenwel is bewezen dat de tegenstander hem in zijn gezicht heeft gestompt terwijl hij weerloos op de grond lag, is vergoeding van immateriële schade op zijn plaats.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum mishandeling, 29-11-2014; vernietiging vonnis Rb. Gelderland loc. Arnhem d.d. 26-5-2015, parketnr. 05/800242-14, doch uitsluitend voor wat betreft de afwijzing van de vordering benadeelde partij)

Smartengeld bij niet-letsel:

nr. 2009 | vrouw | € 2.756 (Inbreuk op privacy, aantasting in de persoon)

In de periode van 20-5-2015 tot en met 17-10-2015 is zij lastig gevallen door haar ex-vriend. Om die reden heeft ze haar telefoonnummer veranderd. Hij bleef echter via de mail contact met haar zoeken en heeft wel 5.664 e-mails naar haar gestuurd. Hij mailde bijna dagelijks, soms tot wel 88 keer per dag. Ze heeft aangegeven dat ze geen contact wilde, dat ze wilde dat hij stopte en dat hij haar met rust moest laten. Hij bleef haar echter mailen, omdat hij zijn kinderen wilde zien.
In de e-mails dreigde hij met verkrachting, feitelijke aanranding van de eerbaarheid, enig misdrijf tegen het leven gericht, gijzeling, zware mishandeling en brandstichting met onder andere de woorden: 'Jij haalt de zitting niet morgen. Ik maak jou ervoor af geloof mij maar jij bent niks meer voor mij, ik snij je strot open echt waar' en 'Ik snij je strot open hoer, ik ga voor jou graag de bak in. Met mijn paniekstoornis ben ik binnen 4 jaar weer buiten.'. Hij dreigde foto’s van haar openbaar te maken en dat hij haar auto in brand steken als zij geen geld naar hem overmaakte.
Door de duur, de frequentie, hardnekkigheid en intensiteit waarmee hij haar lastigviel – soms tot wel 250 keer per dag – heeft hij een forse inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Zelfs nadat hij was aangehouden voor stalking, ging hij onverstoorbaar verder. Zij is daardoor erg bang geweest.
Ten aanzien van de opmerking van de verdediging dat bij haar reeds sprake was van PTSS overweegt de Rb. dat het op zijn minst genomen aannemelijk is dat, voor zover deze klachten reeds aanwezig waren, deze sterk zijn verergerd door het gedrag van haar ex.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf halverwege de tenlastegelegde periode, 1-9-2015)

nr. 1958 | man | € 5.015 (Overige gevallen)

Gederfd woongenot. Ruim 5,5 jaar hebben zijn buren gezorgd voor ernstige overlast doordat zij structureel (honden)poep en etenswaren over de schutting in zijn tuin gooiden, geluidsoverlast veroorzaakten en hem bespiedden. De Rb. heeft bepaald dat zij hiermee onrechtmatig hebben gehandeld, nu dit handelen inbreuk heeft gemaakt op zijn eigendomsrecht en tevens in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Er heeft zelfs ruim een half jaar een net tussen beide percelen gehangen, dat verhinderde dat er allerhande voorwerpen op zijn perceel zouden worden gegooid. Zijn buren zijn uiteindelijk verhuisd.
Hij heeft zich als gevolg van het onrechtmatig handelen van zijn buren onder behandeling moeten laten stellen van een psycholoog. Daarnaast heeft hij zijn tuin, die 50% van zijn totale woonoppervlakte beslaat, al die jaren (vrijwel) niet kunnen gebruiken. De Rb. oordeelt dat hij ernstig is gestoord in zijn woongenot waardoor het door geëiste bedrag ad € 14.531,- wegens gederfd woongenot wordt toegewezen. Deze vergoeding dient ter compensatie van materiële schade, namelijk afwezigheid van woongenot.
Daarnaast is ook sprake van immateriële schade doordat hij, als gevolg van de zo ernstige aantasting van zijn woongenot, is aangetast in zijn persoon. Uit de verklaring van de psycholoog blijkt dat de door hem ondervonden zeer ernstige overlast consequenties heeft gehad voor zijn psychisch welzijn en welbevinden. Daarnaast rechtvaardigt de bijzondere ernst van de normschending, het bevuilen van zijn eigendommen met (menselijke) uitwerpselen gedurende een lange periode, toekenning van een immateriële schadevergoeding.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum dagvaarding bodemzaak, 12-11-2012)


Smartengeld na voeging

nr. 1969 | man | verkeersregelaar | 05-05-2015 | € 1.013 (Hoofd- en hersenletsel (bij voeging))

Tijdens zijn werkzaamheden als verkeersregelaar is een opstootje ontstaan tussen hem en 2 mannen. Eén van hen is de vader van een bekende Nederlander. Deze vader was eerst tegen hem (het slachtoffer) aan gereden en had hem een paar keer geduwd. Daarna kwam de bekende Nederlander uit zijn tattooshop en gaf de verkeersregelaar een vuistslag in diens gezicht. Ten gevolge van de kracht van die vuistslag heeft hij enige tijd zijn bewustzijn verloren. Hij had een hersenschudding, een scheurtje in zijn kin en een gebroken gebit.
De Rb. rekent het de verdachte aan dat hij geweld heeft aangewend. Temeer omdat dergelijke strafbare feiten, zeer zeker indien gepleegd jegens hen die een taak uitoefenen in het kader van het publieke belang, zoals bijvoorbeeld verkeersregelaars, grote indruk plegen te maken op omstanders die daarvan (ongewild) getuige zijn. Hierdoor worden de algemene gevoelens van onveiligheid in de maatschappij versterkt. De Rb. heeft bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schade de aard en de impact van het bewezenverklaarde voor de man in aanmerking genomen. Reeds uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het geweld grote emotionele gevolgen voor hem heeft gehad.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum mishandeling, 5-5-2015)

nr. 2017 | meisje | 12 jaar | € 3.024 (Letsel ten gevolge van verkrachting, incest)

Op een zeker moment is er een man bij haar, haar zusje en haar moeder in huis komen wonen, om te helpen bij de opvoeding. De vader was al langer buiten beeld. De moeder is een aantal maanden opgenomen geweest en heeft daarnaast een lange periode dagbehandeling gevolgd, waardoor zij overdag niet thuis was. De man had samen met jeugdzorg en een andere organisatie de taak om voor de kinderen te zorgen. Toen het meisje 12 jaar oud was, is hij begonnen haar te misbruiken. Dit is doorgegaan tot zij 16 jaar was. Het misbruik bestond uit zoenen, manuele en orale bevrediging, alsmede vaginale en anale gemeenschap. Dit alles met grote regelmaat.
Aangezien hij nauw was betrokken bij de opvoeding, zag zij hem als vaderfiguur en was hij een vertrouwenspersoon voor haar. Hij was bovendien beduidend ouder dan zij. De Rb. acht gelet op deze feiten en omstandigheden bewezen dat sprake was van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. De Rb. neemt hierbij ook in aanmerking dat de man reeds is begonnen met het plegen van de ontuchtige handelingen toen zij nog maar 12 jaar oud was en dat daardoor het plegen van seksuele handelingen als een gewoonte in hun verhouding is ontstaan en door haar als “normaal” werd beschouwd. De man was hier echter als volwassene verantwoordelijk voor en heeft misbruik van zijn overwicht gemaakt. Dat hij, doordat hij na een paar jaar was verhuisd, ten tijde van (een deel van) de ontuchtige handelingen niet meer bij haar in huis woonde doet hieraan niet af.
Bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade overweegt de Rb. dat zo’n vordering gebaseerd op een aantasting van de persoon op andere wijze wegens geestelijk letsel alleen toewijsbaar is wanneer sprake is van een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De Rb. is van oordeel dat van een dergelijke uitzondering sprake is. De man heeft het meisje vanaf haar 12e tot en met haar 16e jaar frequent seksueel misbruikt, hetgeen een zeer ernstige normschending betreft. Volgens de Rb. kan het niet anders dan dat dergelijk langdurig misbruik ernstige psychische gevolgen voor het nog jeugdige slachtoffer heeft. Het gevorderde smartengeld wordt daarom toegewezen.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23-1-2013)