Nummer: 
2059
Geïndexeerd bedrag : 
€ 25.251,-
Oorspronkelijk toegewezen bedrag: 
€ 25.000,-

Tijdens een verblijf met zijn echtgenote op Curaçao zijn zij betrokken geraakt bij een verkeersongeval, als gevolg waarvan zij beiden letsel hebben opgelopen. Door het ongeval was zijn linkerpols gebroken, er was sprake van een fractuur van het linker sleutelbeen en een breuk in de rechter heupkom. Hij is per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar hij 2 weken plat op bed moest liggen. Op 13 december 2010 is hij in liggende positie en onder paramedische begeleiding naar Nederland gevlogen. Daar is hij poliklinisch behandeld. Uit de medische rapportage zijn de volgende beperkingen naar voren gekomen: klachten aan de schouder, pols en heup, welke klachten als ongevalsgevolg kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de heup geldt dat er na het ongeval een progressieve gewrichtsspleetversmalling in het rechterheupgewricht is ontstaan. Ook is er een aanzienlijke bewegingsbeperking van het rechter heupgewricht ontstaan. Volgens de deskundige zouden deze klachten, het ongeval weggedacht, niet zijn ontstaan. De kans dat er zonder aanleiding een dergelijke progressieve coxarthrosis ontstaat, is orthopedisch gezien klein te noemen. De huidige heupklachten resulteren in beperkingen ten aanzien van lopen. Hij kan wel fietsen. Voorts zijn er beperkingen ten aanzien van de linkerpols, -arm en -schouder. In 2013 was weliswaar nog geen sprake van een medische eindsituatie, maar de rapporten boden geen enkele indicatie dat de klachten en beperkingen door de tijd zouden kunnen afnemen. Het letsel gaf op dat moment beperkingen ten aanzien van staande en lopende activiteiten alsmede voor belastbaarheid van de linkerschouder, -arm en -pols. De omvang van de beperkingen moet niet worden onderschat en kan in de toekomst dus nog toenemen. Hij is uiteindelijk een kandidaat voor het laten plaatsen van een kunstheup. Blijvende FI bedraagt 27% van de gehele persoon.
Bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding overwoog het Gerecht als volgt. De blijvende beperkingen van de man zijn aanzienlijk. Ten tijde van het ongeval was hij 74 jaar en verkeerde op dat moment in goede gezondheid; hij was sterk en mobiel. De gevolgen van het ongeval hebben grote impact op de wijze waarop hij zijn dagelijks leven invulde. Hij haalde veel levensgeluk uit buitenactiviteiten en reizen, terwijl de blijvende beperkingen hem verhinderen zijn leven nog op die manier in te richten. Door de beperkte mobiliteit heeft het ongeval hem in één klap zijn vrijheid en onafhankelijkheid ontnomen. Het Gerecht meent enerzijds dat zijn leeftijd en daarmee de duur van “het lijden” wel invloed heeft op de omvang van de vergoeding, in die zin dat die vergoeding lager zou moeten uitvallen omdat sprake is van een beperkte lijdensduur. Anderzijds stonden hij en zijn echtgenote nog actief in het leven en was er een redelijke verwachting dat hij nog een aantal jaren in kwalitatief goede gezondheid had kunnen leven als het ongeval niet had plaatsgevonden. Dat is hem door het ongeval ontnomen. Voorts acht het Gerecht relevant dat hij en zijn vrouw gelijktijdig beperkt werden in hun belastbaarheid, waardoor zij weinig steun c.q. hulp hadden van elkaar, hetgeen het leed vergroot. Het Gerecht kent ook gewicht toe aan het feit dat zij in Nederland woonachtig zijn en dat het ongeval tijdens hun verblijf op Curaçao heeft plaatsgevonden. Zij zijn beiden opgenomen geweest in het ziekenhuis ter plaatse, hetgeen een angstige en onzekere tijd is geweest. Vervolgens zijn zij beiden onder begeleiding naar Nederland gevlogen en hebben zij een langdurige revalidatie achter de rug, waarbij zij beiden afhankelijk zijn geweest van derden.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum ongeval, 1-12-2010; voor de toekenning van smartengeld aan zijn echtgenote, zie uitspraaknr. 2.060)