Nummer: 
2144
Geïndexeerd bedrag : 
€ 19.960,-
Oorspronkelijk toegewezen bedrag: 
€ 20.000,-

Tijdens zijn werk is hij gedurende ca. 15 jaar (tussen maart 1980 en 1995) in relevante mate blootgesteld geweest aan oplosmiddelen, als gevolg waarvan zich bij hem ernstige CTE (chronische toxische encephalopathie) heeft ontwikkeld. De diagnose is in 2013 gesteld. Er is sprake van een eindtoestand. In 2009, hij was toen 53 jaar, is zijn arbeidsovereenkomst ontbonden. Hij kampt met de volgende klachten: geheugen-, oriëntatie- en concentratieklachten, hoofdpijn, vermoeidheid, slaapproblemen en reuk- en smaakvermindering, voorts psychische klachten te weten depressie, stemmingswisselingen en karakterverandering. Hij had daarnaast al langere tijd diverse andere gezondheidsklachten die niet waren veroorzaakt door de blootstelling aan de oplosmiddelen. De Ktr. houdt dan ook geen rekening met deze klachten (die niet met CTE in verband kunnen worden gebracht), maar uiteraard wél met de klachten die normaliter bij CTE horen, ook als die ernstiger zijn dan gebruikelijk.
Bij de toekenning van het smartengeld overweegt de Ktr. dat uit de beroepsziekte CTE ingrijpende cognitieve beperkingen op het gebied van geheugen, oriëntatie en concentratie zijn voortgevloeid die tot pijn, vermoeidheid en psychische klachten hebben geleid. Hierdoor heeft hij zijn leven niet kunnen voortzetten zoals hij anders zou hebben gekund. Daarbij moet worden gecorrigeerd voor de andersoortige gezondheidsklachten, die los staan van de eerdere blootstelling aan oplosmiddelen, waaronder de hoge bloeddruk en de daarmee samenhangende gezondheidsschade. Voorts speelt een rol dat de cognitieve (en daaraan te relateren) beperkingen hem in zijn deelname aan het gezinsleven en het maatschappelijke verkeer aanzienlijk moeten hebben geïnvalideerd. In dit geval is een wat hoger bedrag aangewezen (dan in een vergelijkbaar geval) in verband met de ontstane depressieve klachten.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, 22-11-2013)