Artikelen

Prof. mr. N. Frenk, bij leven raadadviseur bij Dir. Wetgeving (Min VenJ), bijz. hoogleraar aan de VU, voormalig hoofdredacteur van Verkeersrecht, overleden op 14 augustus 2013.
Sinds 1992 heeft bij de ernstigste letsels de hoogte van het smartengeld geen enkele ontwikkeling doorgemaakt. Al meer dan 20 jaar is € 136.134,- de bovengrens. Zelfs de geldontwaarding is in al die jaren nauwelijks verdisconteerd. Als dat wel zou zijn gebeurd, zou dit bedrag nu ruim twee ton moeten zijn. Feitelijk is er dan ook geen sprake van stagnatie, maar van achteruitgang. En dat terwijl in dezelfde periode in een aantal van de ons omringende landen de bedragen wel fors zijn gestegen. In Duitsland zelfs verdubbeld. In toenemende mate is door diverse organisaties en in de literatuur aandacht gevraagd voor deze stagnatie in de bedragen. Het is voor de Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (hierna: ASP), de Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (hierna: PIV) en de Letselschade Raad aanleiding geweest om in een aantal expertmeetings te zoeken naar verbeteringen, en dat niet alleen waar het gaat om het smartengeldniveau, maar ook waar het gaat om de vaststelling van het bedrag en de wijze waarop de immateriële schade wordt afgewikkeld. Dit heeft geleid tot de instelling van een Werkgroep Modernisering Vaststelling Smartengeld die zich over deze materie buigt en met aanbevelingen zal komen. Voor de redactie van Verkeersrecht is de stagnatie in de bedragen aanleiding geweest om hiervoor in een reeks van artikelen en columns aandacht te vragen.
Mr. Geertruid van Wassenaer, Letselschadeadvocaat te Haarlem
Er ligt een wereld van verschil tussen de wijze waarop juristen in de letselschade praktijk aankijken tegen het recht op smartengeld en de manier waarop dit door slachtoffers wordt beleefd. Eigenlijk gaat het al direct fout bij aanvang van de zaak. Slachtoffers hebben een heel andere definitie van smartengeld dan juristen. Velen van hen denken dat het woord “smartengeld” staat voor de totale compensatie van hun schade, dus ook de materiële schade. Zij koesteren daarbij vaak (te) hoge verwachtingen en denken dat de praktijken uit Amerika ook in Nederland gelden. Wie eenmaal, om met de woorden van Hartlief1) te spreken, door de poort van aansprakelijkheid is gekomen (en dat zijn slechts enkelen), zal ondervinden dat wat voor hem als leek heel normaal is, in letselschadeland heel anders werkt. Hem moet worden uitgelegd dat ons rechtssysteem minder ruimhartige vergoedingen redelijk acht dan in de Verengde Staten gebruikelijk zijn. Dat brengt mee dat een slachtoffer al bij aanvang van de zaak heel wat teleurstellingen moet incasseren. Hij krijgt te horen dat hij zijn dure artikelen, zoals iPhone, kleding of bril die door het ongeluk kapot zijn gegaan, niet terug krijgt, maar dat hij zich tevreden moet stellen met de dagwaarde daarvan. Hij verneemt dat voor gemaakte reiskosten geen gebruikelijke kilometervergoeding wordt betaald, maar slechts een bedrag van 0,24 cent op basis van de variabele autokosten.