Artikelen

Prof. mr. A.J. Verheij, hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder het verbintenissenrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hoofdredacteur Verkeersrecht.
Het grootste nieuws ten aanzien van smartengeld is ongetwijfeld de introductie van een recht op vergoeding van affectieschade per 1 januari 2019. Een beperkte kring van gerechtigden krijgt dan bij overlijden of ernstig en blijvend letsel van een dierbare, automatisch recht op een gefixeerd bedrag aan smartengeld variërend van € 12.500 tot € 20.000. Op welk bedrag precies de benadeelde aanspraak kan maken, is afhankelijk van de vraag of sprake is van overlijden of van ernstig blijvend letsel, van de vraag of sprake was van een misdrijf of niet en van de relatie tot het primaire slachtoffer. De bedragen zijn in het Besluit vergoeding affectieschade neergelegd. Tevens bevat de nieuwe regeling een hardheidsclausule die het mogelijk maakt dat personen die niet behoren tot de kring van gerechtigden (bijvoorbeeld grootouders, kleinkinderen en broers en zusters) onder bijzondere omstandigheden toch recht kunnen hebben op smartengeld. Vermeldenswaard is dat met de wet vergoeding affectieschade tevens het huidige art. 6:106 lid 2 BW is veranderd. De beperkingen gesteld aan beslag op en overgang onder bijzondere titel van de smartengeldvordering zijn opgeheven, maar het mededelingsvereiste ten aanzien van de overgang onder algemene titel is (helaas en ten onrechte) gehandhaafd. De aldus veranderde regel is van art. 6:106 lid 2 BW als nieuw tweede lid aan art. 6:95 BW toegevoegd. Met ingang van 1 januari 2019 telt art. 6:106 BW dus nog maar één lid. Het gevolg van deze verhuizing is dat een recht op vergoeding van immateriële schade dat niet zijn grondslag vindt in art. 6:106 BW eveneens onderworpen is aan het mededelingsvereiste.
Prof. mr. S.D. Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht Erasmus Universiteit Rotterdam, hoofdredacteur Verkeersrecht.
In 2017 wees voor het eerst een civiele rechter weloverwogen een smartengeld van € 200.000 toe. Deze uitspraak illustreert de – geleidelijke – stijging van de smartengeldbedragen in Nederland in de afgelopen jaren. Opmerkelijk is ook de toewijzing van smartengeld aan bewoners van het Groningenveld die lijden onder de door gaswinning veroorzaakte aardbevingen, namelijk omdat volgens de rechtbank in deze gevallen sprake is van een persoonsaantasting in de zin van art. 6:106 BW, ook zonder dat sprake is van fysiek of geestelijk letsel. Naast deze en andere markante uitspraken uit het afgelopen jaar valt ook nu weer de gestage stroom uitspraken van de strafrechter over smartengeld op. Die wijst, mede als gevolg van het beleid om voeging van benadeelde partijen aan te moedigen, steeds vaker smartengeld toe en lijkt daarin tot op zekere hoogte een ‘eigen beleid’ te voeren. Verder verdient natuurlijk opmerking dat het wetsvoorstel inzake ‘affectieschade’ met instemming door de Tweede Kamer is ontvangen, maar dat de Eerste Kamer zich (opnieuw) kritisch heeft getoond. Dat is eens te meer opmerkelijk, nu bij onze Oosterburen in 2017 ‘in no time’ een recht op vergoeding van affectieschade werd ingevoerd.