Artikelen

Prof. dr. L.T. Visscher, bijzonder hoogleraar Legal Economic Analysis of Tort and Damages aan het Rotterdam Institute of Law and Economics (RILE), Erasmus Universiteit Rotterdam
Bij lezing van de inleidende artikelen in de vorige edities van dit Smartengeldboek valt direct op dat er onvrede bestaat over de manier waarop in Nederland het smartengeld wordt vastgesteld. Deze onvrede betreft vooral twee aspecten: de hoogte van het smartengeld in het algemeen en de onderlinge verhouding van de smartengeldbedragen bij (zeer) ernstige letsels en bij lichtere letsels. De algemene teneur is dat het smartengeld in Nederland te laag is en dat het smartengeld bij (zeer) ernstig letsel nog eens extra achterblijft ten opzichte van dat bij lichter letsel. Lindenbergh schreef in 2006 dat het niveau van de vergoedingen in Nederland lijkt te stagneren, terwijl deze in de ons omringende landen juist lijken te stijgen. De bedragen die in Nederland worden toegekend, liggen onder het gemiddelde van de landen uit Lindenbergh’s overzicht. De Bosch Kemper signaleerde in 2009 weliswaar een stijging in de smartengeldbedragen, maar bij de zeer ernstige letsels blijft deze achter, zodat er een discrepantie is ontstaan tussen de bedragen die bij lichtere letsels worden toegekend en de smartengeldbedragen bij (zeer) ernstige letsels. Hartlief stelde in 2012 de vraag of de ontwikkeling van de hoogte van het smartengeld in Nederland de inflatie zelfs wel bijhoudt en stelt dat er in Nederland een inhaalslag moet worden gemaakt. Verhoging van het smartengeld is nodig en er is geen rechtvaardiging voor het afwijken van de stijgende Europese trend. Frenk schreef dat de hoogte van het smartengeld bij ernstige letsels sinds 1992 geen enkele ontwikkeling heeft doorgemaakt. Omdat de inflatie nauwelijks is verdisconteerd, is er zelfs sprake van achteruitgang, terwijl in veel andere landen de bedragen wel fors zijn gestegen.
Prof. mr. N. Frenk, bij leven raadadviseur bij Dir. Wetgeving (Min VenJ), bijz. hoogleraar aan de VU, voormalig hoofdredacteur van Verkeersrecht, overleden op 14 augustus 2013.
Sinds 1992 heeft bij de ernstigste letsels de hoogte van het smartengeld geen enkele ontwikkeling doorgemaakt. Al meer dan 20 jaar is € 136.134,- de bovengrens. Zelfs de geldontwaarding is in al die jaren nauwelijks verdisconteerd. Als dat wel zou zijn gebeurd, zou dit bedrag nu ruim twee ton moeten zijn. Feitelijk is er dan ook geen sprake van stagnatie, maar van achteruitgang. En dat terwijl in dezelfde periode in een aantal van de ons omringende landen de bedragen wel fors zijn gestegen. In Duitsland zelfs verdubbeld. In toenemende mate is door diverse organisaties en in de literatuur aandacht gevraagd voor deze stagnatie in de bedragen. Het is voor de Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (hierna: ASP), de Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (hierna: PIV) en de Letselschade Raad aanleiding geweest om in een aantal expertmeetings te zoeken naar verbeteringen, en dat niet alleen waar het gaat om het smartengeldniveau, maar ook waar het gaat om de vaststelling van het bedrag en de wijze waarop de immateriële schade wordt afgewikkeld. Dit heeft geleid tot de instelling van een Werkgroep Modernisering Vaststelling Smartengeld die zich over deze materie buigt en met aanbevelingen zal komen. Voor de redactie van Verkeersrecht is de stagnatie in de bedragen aanleiding geweest om hiervoor in een reeks van artikelen en columns aandacht te vragen.