Artikelen

Prof. mr. S.D. Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht Erasmus Universiteit Rotterdam, hoofdredacteur Verkeersrecht.
In het Smartengeldboek 2016 zijn de afgelopen jaar aan de redactie toegezonden en anderszins door de redactie vergaarde uitspraken opgenomen. Opvallend is de toename in het aantal uitspraken van strafrechters waarin aan benadeelde partijen smartengeld is toegewezen, hier en daar met vrij uitgebreide motiveringen. Nog opmerkelijker is dat het de strafrechter is geweest die in 2015 het plafond van € 150.000 heeft durven doorbreken: voor het eerst werd in Nederland door de rechter € 200.000 aan smartengeld toegewezen. Hierna volgt een korte signalering van enkele ontwikkelingen ten aanzien van het smartengeld die het opmerken waard zijn. Zij kunnen worden gerubriceerd aan de hand van de drie kernvragen van het smartengeld: Waarom? Wanneer? En hoeveel?
Prof. dr. L.T. Visscher, bijzonder hoogleraar Legal Economic Analysis of Tort and Damages aan het Rotterdam Institute of Law and Economics (RILE), Erasmus Universiteit Rotterdam
Bij lezing van de inleidende artikelen in de vorige edities van dit Smartengeldboek valt direct op dat er onvrede bestaat over de manier waarop in Nederland het smartengeld wordt vastgesteld. Deze onvrede betreft vooral twee aspecten: de hoogte van het smartengeld in het algemeen en de onderlinge verhouding van de smartengeldbedragen bij (zeer) ernstige letsels en bij lichtere letsels. De algemene teneur is dat het smartengeld in Nederland te laag is en dat het smartengeld bij (zeer) ernstig letsel nog eens extra achterblijft ten opzichte van dat bij lichter letsel. Lindenbergh schreef in 2006 dat het niveau van de vergoedingen in Nederland lijkt te stagneren, terwijl deze in de ons omringende landen juist lijken te stijgen. De bedragen die in Nederland worden toegekend, liggen onder het gemiddelde van de landen uit Lindenbergh’s overzicht. De Bosch Kemper signaleerde in 2009 weliswaar een stijging in de smartengeldbedragen, maar bij de zeer ernstige letsels blijft deze achter, zodat er een discrepantie is ontstaan tussen de bedragen die bij lichtere letsels worden toegekend en de smartengeldbedragen bij (zeer) ernstige letsels. Hartlief stelde in 2012 de vraag of de ontwikkeling van de hoogte van het smartengeld in Nederland de inflatie zelfs wel bijhoudt en stelt dat er in Nederland een inhaalslag moet worden gemaakt. Verhoging van het smartengeld is nodig en er is geen rechtvaardiging voor het afwijken van de stijgende Europese trend. Frenk schreef dat de hoogte van het smartengeld bij ernstige letsels sinds 1992 geen enkele ontwikkeling heeft doorgemaakt. Omdat de inflatie nauwelijks is verdisconteerd, is er zelfs sprake van achteruitgang, terwijl in veel andere landen de bedragen wel fors zijn gestegen.