Begroting van smartengeld in beweging, de beslissende rol van de rechtspraak

Artikel 2026-illustratie

mr. J. Sap, raadsheer in het hof Arnhem-Leeuwarden en redacteur Verkeersrecht

 

In den beginne

In 1959 verscheen de eerste tabel van rechterlijke uitspraken over (de hoogte van) smartengeld in Verkeersrecht.1) In dat nummer lichtte de Delftse advocaat Th. L. van der Veen zijn eerste pogingen toe vanuit de gedachte dat bekendheid met andere uitspraken zowel voor rechters als voor partijen bij hun onderhandelingen kan bijdragen aan het vinden van een antwoord op de vraag wat in voorkomend geval een juist bedrag zou zijn.2) Het betrof een eenvoudige lijst van bijna 120 grotendeels niet gepubliceerde uitspraken met een rubricering naar letsel verdeeld over een 10-tal categorieën, vermelding van een aantal maatschappelijke omstandigheden (arbeidsongeschiktheid, ziekenhuisopname) en steeds vermelding van het beroep van het slachtoffer. Vijf jaar later verscheen de tweede, aanzienlijk langere lijst van circa 250 uitspraken waarvan een groot deel inmiddels gepubliceerd.3) De letselindeling bleef gelijk, werd iets uitgebreid en de rubricering binnen een categorie vond plaats naar volgorde van het toegewezen bedrag. Deze opzet is tot op heden niet losgelaten. Vanaf de derde druk in 1967 werden de uitspraken genummerd en vanaf de vierde druk in 1970 werd een inflatiecorrectietabel opgenomen. Het aantal uitspraken was inmiddels gegroeid tot ruim 500. De frequentie van de verschijning nam ook toe van eenmaal in de vijf jaar, naar om de drie jaar en vervolgens ieder jaar. Inmiddels is dit de 31e editie.

 

Formules

De coördinerende functie van de Smartengeldgids was, zeker in het begin, van enorme betekenis. Er werd richting gegeven aan de discussie over de begroting van deze, altijd gevoelige, schadepost.4) Toch is er, zeker na verloop van tijd, ook kritiek gekomen. De Smartengeldgids betrof het gezichtspunt van de gevalsvergelijking, wat door de Hoge Raad uitdrukkelijk van de rechter wordt gevraagd, maar er zijn daarnaast ook andere gezichtspunten, zoals de hoogte van de eerder en maximaal toegekende bedragen, aard van de aansprakelijkheid, buitenlandse rechtspraak – zij het dat aan dit laatste gezichtspunt geen beslissende betekenis kan worden toegekend.5) De grote nadruk op de gevalsvergelijking heeft steeds tot discussie geleid. De voorspelbaarheid was daarmee bepaald niet gegeven en in individuele zaken werden steeds wel omstandigheden gevonden die niet pasten bij de eerder gegeven uitspraken. Dit heeft ertoe geleid dat in de loop van de jaren verschillende initiatieven c.q. denkrichtingen zijn ontwikkeld om het smartengeld anders te benaderen. Van der Veen deed daartoe zelf een poging in 1976 door iets van een ondergrens aan te geven6), gevolgd door een meer nauwkeurige indeling in 1979,7) resulterend in zijn “piramide”8); er waren meer rekenkundige formules die uitgaan van een bedrag met toeslagen en verminderingen9) en er waren meer economische benaderingen, zoals de Quali-methode.10) Geen van deze methodes heeft het gehaald om de nieuwe standaard te worden, of zoals Van Dam het omschreef: “Formules zijn in Nederland vooral bekend om hun gebrek aan succes.”11) De vraag is wat de bezwaren waren.

Verburg noemt onder meer als oorzaken de grote nadruk op slechts één of enkele factoren van het smartengeld, de onzekerheid of de rechter de formule wil toepassen, de spanning tussen de uitkomst van de formule en de toepassing in een concreet geval, het gebrek aan speelruimte voor de beslisser (schaderegelaar, advocaat, rechter) en het ontbreken van een breed draagvlak.12) Lindenbergh signaleert weinig animo voor standaardisering door enerzijds de eisen die de Hoge Raad stelt met betrekking tot de gevalsvergelijking en anderzijds de associatie die normering heeft met beperking van aansprakelijkheid.13) Met de overweging van de Hoge Raad dat dat met het ‘hoogstpersoonlijke karakter’ van de vordering tot vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade niet verenigbaar is dat de omvang ervan zich ‘min of meer forfaitair laat vaststellen’ werd eens te meer duidelijk dat het steeds moet blijven gaan om een individuele beoordeling van de smartengeldvordering.14) Hiermee valt in feite het doek voor iedere formule die leidt tot een standaardbedrag dat geen ruimte biedt voor een individuele afweging.15)

Wat de redenen ook waren om formules niet te hanteren, uiteindelijk keerde men terug naar de gevalsvergelijking en daarmee naar de Smartengeldgids. Dat dit niet ideaal was, werd door iedereen beseft.16) Het feit dat er (nog) geen beter alternatief was, betekende allerminst dat berust werd in de status quo. Er bleef voortdurend druk op de methodiek van begroting staan en dat er op enig moment iets moest veranderen, stond eigenlijk al wel decennialang vast. Maar wat en hoe? Drie ontwikkelingen speelden in de afgelopen tijd een belangrijke rol. De eerste is de voortdurend geuite gedachte dat de hoogte van het smartengeld structureel te laag zou zijn, de tweede de toenemende invloed van de strafrechter bij de toekenning van immateriële schadevergoeding en ten slotte het mislukken van ieder initiatief door de partijen die betrokken zijn bij de afwikkeling van letselschades om te komen tot gezamenlijke richtlijnen.

Stagnatie 

In de discussie over de begroting van het smartengeld speelt al decennia en in toenemende mate de gedachte dat de ontwikkeling van de hoogte van het smartengeld stagneert. Geopperd is dat dit komt door het feit dat de rechter door de gevalsvergelijking steeds terugkijkt naar het verleden, maar daar staat tegenover dat in andere landen waar die gevalsvergelijking ook plaatsvindt, die stagnatie niet optreedt.17) Ook is wel de Hollandse zuinigheid als argument genoemd.18) Anderzijds is ook betoogd dat de hoogte van het toegekende smartengeld gezien moet worden in de totale context van de afdoening van de letselschadezaak: als daar een procedurele rechtvaardigheid wordt ervaren, is het uiteindelijke bedrag van de immateriële schade niet maatgevend voor de vraag of het voldoende is geweest.19) Maar het is geen rare gedachte dat het smartengeld in de totale afwikkeling van een letselschade te veel wordt gezien als sluitpost. Het ‘grote geld’ zit in het verlies aan verdienvermogen en soms in zorgkosten.20) Dat zorgt niet voor de nodige druk op de hoogte van het smartengeld. De wetgever ziet voor zichzelf geen taak weggelegd en laat de ontwikkelingen over aan ‘het veld’.21)

De stagnatie-discussie vindt verder vooral plaats door middel van rechtsvergelijking, waarbij de onderliggende vraag steeds is: waarom wordt in onze buurlanden (Duitsland, Groot-Brittannië) wel een opwaartse druk op het smartengeld gezien, althans vermoed, en hier niet.22) Opvallend is overigens, dat het beeld dat het in Duitsland altijd om hogere bedragen gaat, genuanceerd ligt. Het maximum ligt er (beduidend) hoger (hoge dwarslaesie/tetraplegie rond € 500.000 tegen hier rond de € 250.000) maar er zijn ook gevallen waarin de bedragen min of meer gelijkliggen.23) Maar een vergelijking over meerdere jaren levert wel het beeld op dat de Nederlandse rechter ‘pas op de plaats’ maakt, terwijl de verhoging in de omringende landen wel doorgaat. Bij betrekkelijk gemakkelijk te vergelijken letsel valt op dat Nederland zich toch wel in de onderste regionen bevindt, zoals blijkt uit een tabel uit 2006 waarin bij verlies van een oog de volgende bedragen gelden: Engeland: € 49.300; Duitsland € 60.000 en Nederland € 22.000.24) 

Al langere tijd wordt aandacht gevraagd voor een nieuwe benadering van het smartengeld, anders dan via de gevalsvergelijking van de Smartengeldgids, maar dan niet in de vorm van een formule. Met regelmaat wordt gewezen op de Engelse Guidelines for the Assessment of General Damages in Personal Injury Cases (verder: de Guidelines).25) Kenmerkend voor de Guidelines zijn de bandbreedtes per letselcategorie. Voor iedere categorie, vaak weer onderverdeeld in subcategorieën, is een bandbreedte bepaald en de gedachte is dat het smartengeld voor het letsel in die (sub)categorie zich beweegt binnen de bandbreedte. Als voordelen worden genoemd dat het voor het slachtoffer inzichtelijker zou zijn aan de hand van welke factoren het smartengeld wordt bepaald, de rechter veel bewegingsruimte heeft en door een periodieke actualisering van de Guidelines het mogelijk is het smartengeld te laten meebewegen met de tijdgeest en de geldontwaarding. Maar ook op het systeem van de Guidelines is kritiek. Zo is onduidelijk op welke wijze uitspraken van rechters verdisconteerd worden in een update en evenmin hoe groot de invloed is van geldontwaarding of andere maatschappelijke opvattingen. Er is, met andere woorden, gebrek aan transparantie.26)

Opkomst van de strafrechter en de onmacht van ‘het veld’ 

De discussie kwam op scherp te staan door het meermalen geconstateerde verschil tussen uitspraken die gedaan worden door de civiele rechter en de strafrechter. Hier is al eerder uitvoerig bij stilgestaan.27) Lange tijd had de civiele rechter het monopolie op de vergoeding van letselschades, maar de steeds vaker benutte mogelijkheid om zich ook voor letselschades als benadeelde partij te voegen in het strafproces, deed dit beeld kantelen. De civiele rechter werd binnen een paar jaar links en rechts door de strafrechter ingehaald. Dit leidde tot onverklaarbaar grote verschillen in toegekend smartengeld voor vrijwel gelijk letsel.28) Toegegeven, de context waarin smartengeld wordt begroot ligt in strafzaken misschien net wat scherper, maar veel civilisten begrepen weinig van de soms karige motivering van zeer hoge bedragen, hoewel ook hier de kanttekening past dat de hele strafrechtelijke uitspraak in de ‘motiveringseis’ moet worden betrokken.29) Maar dit verschil in toekenning van bedragen moest op enig moment worden geadresseerd, want dit was aan de buitenwereld niet (meer) uit te leggen.

Een volgende ontwikkeling was de frequente organisatie van zogenoemde ‘expertmeetings’, waarin geprobeerd werd om betrokkenen in het veld (advocaten, verzekeraar, rechters, wetenschap) tot een nieuw model te laten komen.30) Het is nooit gelukt, ondanks dat de noodzaak tot verandering voor iedereen een gegeven was. Maar op de achtergrond speelden steeds belangen. Ik heb in de loop van de jaren een aantal van die bijeenkomsten meegemaakt en afhankelijk van de positie van de spreker werden elementen aangedragen die pasten bij hun rol in het letselschadeproces. Zo heb ik voorbij horen komen: “het moet wel betaalbaar blijven”; “extra compensatie voor jongeren is mooi, maar wat doen we met ouderen in hun ‘golden years’”, “we kunnen toekomstige cliënten niet binden”, “we moeten het doen met wat ons wordt aangereikt”, etc.. Je hoeft geen helderziende te zijn om te beseffen dat dit tot weinig leidt. De noodzaak tot meer harmonisatie werd gevoeld maar belangentegenstellingen waren eenvoudigweg te groot. Dit leidde er ook toe dat partijen in de markt zelf initiatieven ontplooiden om het smartengeld te begroten, waarbij op deze plaats de rekenmodule voor licht letsel wordt genoemd, opgesteld door het Verbond van Verzekeraars. In deze module, die gevoed wordt door een groot aantal buitengerechtelijk afgedane zaken, kunnen diverse variabelen (ziekenhuisopname, behoefte aan huishoudelijke hulp, arbeidsuitval, etc.) worden ingevoerd, waarna ‘het systeem’ een voorstel doet voor een te vergoeden bedrag aan smartengeld. Maar het bleef een module, ontwikkeld door één van de partijen in de markt, die ook door die partij werd beheerd. Binnen de Letselschaderaad, toch het platform waar de verschillende marktpartijen samen kunnen komen, werd evenmin vooruitgang geboekt. Ik sluit niet uit dat ook daar de belangentegenstellingen gewoon te groot waren. Dat deed zich eerder ook al voor bij de discussie over de bepaling van de rekenrente.31) Die is uiteindelijk door de rechtspraak naar zich toe getrokken, waarna een aanbeveling rekenrente verscheen. Hoewel formeel bedoeld voor toepassing binnen de rechtspraak, was het buitengerechtelijk effect enorm. Waarom zou men buiten de rechtszaal een andere rekenrente hanteren dan daarbinnen, want mochten de onderhandelingen niet tot resultaat leiden dan moet de rechter zich erover buigen en die heeft (weliswaar niet bindende) aanbevelingen gekregen van zijn collega’s. In zoverre was het grote verschil in toegekende bedragen in strafzaken en civiele zaken een blessing in disguise. De stilstand in het overleg tussen de marktpartijen leidde ook hier ertoe dat de rechtspraak het onderwerp naar zich toe trok. 

Twee lijnen

De discrepantie tussen de beoordelingen van het smartengeld in civiele en strafuitspraken wordt door rechters als onwenselijk beschouwd. Het zou niet zo moeten zijn dat het smartengeld in het strafrecht geheel anders wordt gewaardeerd dan in het civiele recht, zelfs niet als rekening wordt gehouden met de specifieke problematiek in het strafrecht (culpa, opzet, oogmerk). Ook binnen de rechtspraak werd dus gevoeld dat harmonisatie noodzakelijk was. In dit kader dient bedacht te worden dat inhoudelijk overleg binnen de rechtspraak veelal is gericht op ofwel het in kaart brengen van discussiepunten, dan wel (en vaker) gericht is op het bereiken van inhoudelijke of processuele overeenstemming, waarbij de uitkomst van een procedure meer voorspelbaar wordt. Hierbij valt te denken aan de professionele standaarden voor verschillende procestechnische aspecten, maar ook aan inhoudelijke afstemming. Het doel is om uniformiteit te bereiken in de rechtspraak, zodat het geen verschil uitmaakt of een zaak wordt aangebracht in Groningen, Limburg of Zuid-Holland. De normen waarmee gewerkt wordt zijn na die afstemming steeds dezelfde; de individuele omstandigheden maken dan het verschil. Een paar bekende onderwerpen van afstemming zijn de oriëntatiepunten bij straftoemeting; de alimentatienormen en de al genoemde aanbeveling rekenrente in letselschadezaken.   

Tegen deze achtergrond is in 2023, op initiatief van de landelijke Expertgroep Personenschade binnen de rechterlijke macht, een werkgroep Normering Smartengeld samengesteld, bestaande uit civiele en strafrechters, bijgestaan door een juridisch adviseur van het landelijk bureau vakinhoud. Doel was het harmoniseren van de begroting van het smartengeld, waarbij concrete aanbevelingen zouden gelden voor veel voorkomende variabelen (opzet, leeftijd, samenloop in letsel). Gelijktijdig met dit initiatief vanuit de rechtspraak werd een onderzoek door de Erasmus Universiteit op verzoek van de Raad voor de Rechtspraak geïnitieerd. Doel van dat onderzoek was te bezien in hoeverre de al eerdergenoemde Engelse Guidelines als basis zouden kunnen dienen voor de begroting van het smartengeld in Nederland.32) Dat onderzoek heeft geleid tot de ordening die bekend is geworden onder de naam Rotterdamse Schaal.33) Al vrij snel nadat bekend werd dat er twee initiatieven werden ontplooid binnen de rechtspraak, is afstemming over het traject gekomen. De rechterlijke werkgroep, die aanvankelijk uitging van een andere opzet bij de benadering van smartengeld, maakte pas op de plaats en heeft zich, nadat de Rotterdamse Schaal in september 2025 aan de Raad voor de Rechtspraak werd opgeleverd, gezet aan een verdere invulling van een aantal open normen (opzet, meervoudigheid, leeftijd en blijvend/tijdelijk letsel). Dit waren onderdelen die in de Rotterdamse Schaal niet (duidelijk) waren geadresseerd, omdat het onderzoek niet-normatief was.34) Dit heeft vervolgens geleid tot een set van aanbevelingen, die elders in deze gids zijn opgenomen. In december 2025 zijn de landelijke vakinhoudelijke overlegorganen voor zowel civiele als strafrechters (LOVS, LOVH en LOVCK) akkoord gegaan met de aanbevelingen. Zowel de Rotterdamse Schaal als de aanbevelingen richten zich primair tot de rechter. Die kan daarvan kennisnemen, zich erop oriënteren en die volgen, maar het staat de rechter ook steeds vrij een andere afweging te maken. Wat is nu het beeld dat oprijst na introductie van de Rotterdamse Schaal en de aanbevelingen?

Nieuw voor oud

Hoewel het op deze plaats wellicht wat vreemd aandoet om te zeggen, is het goed dat de indeling van de letselcategorieën wordt geherdefinieerd. Wie de indeling van de Smartengeldgids bekijkt, ziet een ordening die inzicht in het toe te kennen bedrag aan smartengeld niet gemakkelijk maakt. De indeling ‘na ongeval’, ‘na medische fout’, ‘na mishandeling’, ‘na voeging’ en ‘bij niet-letsel’ had zeker in het begin, toen deze rubrieken werden toegevoegd met een beperkte hoeveelheid uitspraken een goede functie, maar in de loop van de jaren is het onderscheid naar de wijze van veroorzaking misschien te veel een eigen leven gaan leiden. De vraag kan gesteld worden of het uiteindelijk er heel veel toe doet op welke wijze het letsel is ontstaan, als ook op een andere wijze de veroorzaking (opzet, grove schuld) kan worden verdisconteerd. Met andere woorden, bij een neutrale veroorzaking zou het niet veel verschil moeten maken hoe het letsel is ontstaan. Het effect is steeds gelijk. Ik verwacht eerlijk gezegd ook dat burgers heel goed begrijpen dat een geamputeerd been als gevolg van een medische fout voor een slachtoffer niet wezenlijk anders hoeft te zijn dan een geamputeerd been na een noodlottig ongeval. Aan de rubricering naar de wijze van veroorzaking maakt de Rotterdamse Schaal een einde en daar is veel voor te zeggen. Er vindt nu een focus plaats op de aard van het letsel en bij iedere categorie staat een aantal relevante factoren genoemd dat meegewogen kan worden bij de begroting van het smartengeld.

Een tweede grote wijziging is de rubricering van het letsel in categorieën met subcategorieën. Dat is mijns inziens zonder meer winst. De bestaande indeling in de Smartengeldgids heeft een aantal grote rubrieken (bijv. been- en voetletsel; arm- en handletsel, hoofd-, hersen- en zenuwletsel, psychische schade) maar maakt geen verder onderscheid naar de soort of ernst van aandoening binnen een rubriek. Het enige hulpmiddel is de ordening van de uitspraken naar de hoogte van het toegekende bedrag aan smartengeld. Binnen de categorieën zelf ligt dus alles open. Dat geeft in procedures ook bizarre discussies, omdat soms voor één soort letsel in de Smartengeldgids meerdere, fors van elkaar afwijkende bedragen kunnen worden gevonden, zonder dat de omstandigheden van het geval daartoe significant afwijken. Ik noem als voorbeeld een whiplash die heeft geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid: uitspraak 461: € 13.802,-, uitspraak 481: € 19.653,-; uitspraak 497: € 31.898,- (bedragen geïndexeerd). In een enkel geval schiet het enorm door tot uitspraak 501: €  60.908,- (wel met 44% blijvende invaliditeit). 

In de Rotterdamse Schaal staat deze aandoening bij orthopedisch letsel (rubriek 5.2) met een bandbreedte van € 10.000,- tot € 25.000,- voor de ernstigste vorm. Dat is nog een behoorlijke speelruimte, maar er wordt meer richting gegeven.35) Er kan overigens getwist worden over de vraag of een whiplash orthopedisch letsel is en niet veel meer zou thuishoren bij de chronische pijnen (hoofdstuk 8), waar ook aandoeningen onder vallen die een beperkt of geen medisch substraat hebben. In rubriek 8.2 wordt als kenmerkend element genoemd de negatieve invloed om nog arbeid te verrichten en die geeft een bandbreedte van € 29.000,- tot € 43.000,-. Ik vermoed dat de indeling bij orthopedisch letsel een duidelijk effect is van de indeling van de Guidelines, waarin aan het begin van het hoofdstuk 7 (orthopedisch letsel) een verwijzing naar een speciale paragraaf aan het begin van de Guidelines is opgenomen. Het letsel zelf wordt, als ik het goed lees, niet als (zuiver) orthopedisch letsel gezien. Ik meen dat de heersende leer onder medici in Nederland toch eerder is dat een whiplash als een neurologische aandoening moet worden beschouwd (mogelijk zonder medisch substraat) dan als orthopedisch letsel. Het zal me dus niet verbazen als hier discussie over komt, temeer omdat het effect op de toe te passen bandbreedte zo groot is.

Hiermee is ook gelijk het derde onderscheid zichtbaar geworden: het werken met bandbreedtes. Hierboven noemde ik al rubriek 8.2, maar dit systeem wordt vrijwel in de hele schaal gehanteerd. Als de ernst van het letsel zonder verdere afweging evident is en andere factoren geen wezenlijke invloed meer hebben wordt in de Rotterdamse Schaal één bedrag genoemd als oriëntatiepunt. Bijvoorbeeld: volledige blindheid: “rond € 185.000,-”. De rechterlijke werkgroep had aanvankelijk het idee om voor alle letsels een oriëntatiepunt te nemen en van daaruit te vertrekken naar boven of beneden. Maar het werken met een bandbreedte geeft de gebruiker een marge waarbij de verschillende factoren kunnen worden gewogen. In zoverre is de Rotterdamse Schaal wel richtinggevend, maar minder sturend.

Nieuw in de Rotterdamse Schaal is Deel C: Smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel. In de Smartengeldgids waren een paar onderdelen al wel terug te vinden onder de rubriek ‘smartengeld na voeging’. De opzet van Deel C is anders dan in de delen A en B. Staat in de eerste twee delen het letsel centraal, hier is de ingang de gedraging, veelal een strafwaardig vergrijp. Al naar gelang de ernst wordt een bedrag aan smartengeld toegekend. Hier kon niet gekoerst worden op de Engelse Guidelines, want die kent deze rubriek niet. Omdat de Rotterdamse Schaal een codificatiegedachte heeft, weerspiegelen de nu genoemde bedragen in Deel C (kennelijk) de huidige stand van de jurisprudentie. In sommige onderdelen zijn de bedragen en daarmee de bandbreedtes bescheiden, met name als het gaat om seksuele misdrijven.36) Anderzijds zijn de eerste geluiden van strafrechters dat in veel gevallen de smartengeldbedragen omhoog zullen gaan. Maar inzicht in het totale huis van het smartengeld plaatst het wel beter in perspectief. De vraag moet onder ogen worden gezien of een ernstige vorm van persoonsaantasting voldoende erkend wordt en hoe die aantasting zich verhoudt tot (zichtbaar) lichamelijk letsel. 

Beschrijvend of normatief?

Hierboven noemde ik al dat de Rotterdamse Schaal geen normatieve keuzes maakt en grotendeels beschrijvend is. In het voorwoord bij de tabel worden wel diverse normatieve problemen benoemd, wordt soms een denkrichting aangegeven, maar geen keuze gemaakt. Dat zou ook niet passen in de onderzoeksopdracht, want een normatieve keuze is niet altijd wetenschappelijk te onderbouwen. In het researchmemorandum, waarin verantwoording wordt afgelegd van het onderzoek, wordt dit duidelijk als de discussie wordt weergegeven in de consultatiefase met betrekking tot opzettelijk toegebracht letsel (schuld als factor).37) Hetzelfde doet zich voor bij meervoudig letsel, waaronder wordt verstaan verschillende letsels die los van elkaar zijn terug te vinden in de Rotterdamse Schaal. Het simpelweg bij elkaar optellen van de uitkomsten op die verschillende onderdelen zou voor een disbalans ten opzichte van andere letsels kunnen zorgen. Hier is zonder een normatieve benadering geen duidelijke richting te geven. Dat geldt ook voor de factor leeftijd. Bij iedere rubriek in de Rotterdamse Schaal is vermeld dat leeftijd een rol speelt, maar onbeantwoord blijft de vraag naar de mate waarin dat zo is. En juist daar waar die normatieve invulling ontbreekt, ontstaat het risico op zeer uiteenlopende resultaten. Ik geef een voorbeeld:

Een kind van 12 jaar wordt het slachtoffer van een ernstig geweldsmisdrijf. Hij raakt het zicht kwijt aan één oog en is aan één oor ook geheel doof. Er is een groot litteken zichtbaar, dat ook leidt tot psychische problemen. Het incident heeft geleid tot een ernstige vorm van PTSS. Hier kunnen meerdere losstaande letsels worden gezien die elk apart te waarderen zijn. Volledig verlies aan één oog: € 37.000,- tot € 45.000,-; volledige doofheid aan één oor: € 21.000,- tot € 31.000,-; zeer ernstige littekenvorming: € 20.000,- tot € 67.000,-; PTSS: € 16.000,- tot € 41.000,-. Laten we gemakshalve aannemen dat voor ieder afzonderlijk letsel het midden van de bandbreedte wordt genomen. Opgeteld levert dat dan op: eenzijdige blindheid: € 41.000,-; eenzijdige doofheid: € 26.000,-; ernstige littekenvorming: € 44.000,-; PTSS: € 28.000.-. Totaal: € 139.000,-. 

Maar hoe verhoudt dit bedrag zich ten opzichte van andere bedragen in de Rotterdamse Schaal? Wie kijkt naar middelzwaar hersenletsel komt in een bandbreedte van € 105.000,- tot € 150.000,-, maar dan is wel sprake van continue zorgbehoefte, mogelijke persoonsverandering, aantasting van het zicht, spraak en zintuigen en (een aanzienlijk risico op) epilepsie. Dat lijkt toch ernstiger te zijn. Hier kan natuurlijk anders over worden gedacht, maar voer voor discussie is het wel. Zo zijn meer ‘scheve verhoudingen’ denkbaar. De onderzoekers brengen dit ook uitdrukkelijk onder de aandacht en wijzen op twee benaderingsmethoden, zonder te expliciteren waar die toe leiden.38) En wat te doen met leeftijd? Telt leeftijd extra mee en, zo ja, in welke mate? En hoe zit het met schuld? De Engelse Guidelines zijn in hun benadering ‘neutraal’. Met opzet is geen rekening gehouden.39) De onderzoekers hadden in de consultatiefase een algemeen percentage van 10% gesuggereerd voor schuld/opzet, maar dat werd matig ontvangen, zoals uit het onderzoeksverslag blijkt.40) Door vertegenwoordigers van de slachtofferadvocatuur wordt gesuggereerd om bij opzet percentages te hanteren van 10% tot 50%.41) Anderzijds wordt ook een bovengrens van schuld/opzet voorgesteld van 20% tot 25%.42) En wat zou een strafrechter doen die geconfronteerd wordt met dit ernstig verminkte kind? Zit hier nu niet juist het grote probleem dat heeft geleid tot het zozeer uiteenlopen van rechterlijke oordelen? En moet er wel een opslag komen voor jeugdigheid? Kan een kind zich niet veel beter aanpassen aan de gevolgen van lichamelijk letsel? Dit is voer voor (onsmakelijke) discussies. Kortom: een nieuw stelsel, zonder niet ook direct aandacht te hebben voor het normatieve element zal wellicht niet brengen wat men voor ogen heeft, namelijk een consistente toekenning van smartengeld met een grote mate van voorspelbaarheid.

Normatieve invulling: de aanbevelingen

De hierna opgenomen aanbevelingen van de rechtspraak zien op de vraagstukken die een normatieve invulling vragen. De toelichting bij iedere keuze is niet bedoeld om andere opvattingen te diskwalificeren, maar om voorspelbaarheid in de rechtspraak te bevorderen. Waren rechters in de positie om zich op deze manier in het debat te mengen en er zozeer richting aan te geven? Ik denk het wel (hoewel ik besef dat ik niet ‘kleurloos’ ben). Maar hierboven schetste ik al een discussie in de markt die tot geen oplossing heeft geleid. De onmacht van de marktpartijen om zelf te komen tot een goede benadering door de grote belangen die verhinderen dat er een brug wordt geslagen, kon niet langer voortduren. En de al gesignaleerde discrepantie tussen civiele en strafrechters vroeg om duidelijke keuzes. Dat laatste kon eigenlijk ook alleen door de rechtspraak zelf worden opgelost.

Kenmerkend voor de aanbevelingen is dat het elementen van een formule heeft. De uitkomst van toepassing van de Rotterdamse Schaal wordt met een aantal percentages vermeerderd in bijzondere gevallen. Indachtig de woorden van Van Dam (‘formules zijn bekend om hun gebrek aan succes’) zijn de aanbevelingen echter zo opgesteld dat een rechter steeds de mogelijkheid heeft om daar in individuele gevallen vanaf te wijken. En binnen de verschillende factoren kan soms ook weer gevarieerd worden. Ze bieden handvatten om in ernstige zaken meer toe te kennen, maar niet te veel ‘uit de pas te lopen’. Bij schuld en opzet wordt een maximaal percentage voorgesteld van 25%, voorbehouden aan de meest ernstige gevallen. Had dat niet meer moeten zijn? Moet bij een terroristische aanslag niet een hoger percentage gekozen kunnen worden? Daar is misschien wel iets voor te zeggen, maar er is een grens aan toerekening van de aard van aansprakelijkheid. Het risico bestaat dat hogere ‘toeslagen’ een punitief karakter gaan krijgen. Daar staat tegenover dat bij een eerste rondgang langs de rechtbanken en de hoven door strafrechters al is opgemerkt dat in strafzaken “dus altijd” een opslag van ten minste 10% geldt. Dat hoeft niet zo te zijn, omdat de keuze ook bestaat om geen toepassing te geven aan die opslag. Anderzijds: de wetgever heeft voor de affectieschade ook hogere bedragen genoemd als sprake is van een misdrijf en hanteert een opslag van circa 14% tot 16%.43) Bovendien is de gedachte dat opzettelijk toegebracht letsel tot een hoger bedrag aanleiding mag geven niet van de laatste tijd. Van der Veen schreef al in 1959: 

“Het ligt ook wel voor de hand dat het slachtoffer van een dronken autobestuurder een hoger smartegeld kan worden toegekend, dan aan een slachtoffer van een ongeval dat als een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden kan worden beschouwd en waarbij de aangesproken automobilist slechts een gering verwijt kan worden gemaakt.”44

De vraag moet gesteld worden of de bandbreedtes niet voldoende ruimte bieden om invulling te geven aan de factor leeftijd of schuld/opzet. Misschien wel, maar niet altijd. Als immers op neutrale grond al richting het maximum van de bandbreedte wordt gekomen, zou dat geen belemmering mogen zijn om tot een hoger bedrag te geraken. Dat is in de aanbevelingen een expliciete keuze. Bij leeftijd en bij meervoudig letsel (zie het hierboven genoemde voorbeeld) gaat het om gerichte keuzes. Het meervoudige letsel zou met toepassing van de aanbeveling uitkomen op een veel lager bedrag: als gekozen wordt voor de bedragen in het midden zou de uitkomst zijn: ernstige littekenvorming € 44.000,- + (50% van eenzijdige blindheid € 41.000,- =) € 20.500,- = € 64.500,-, te vermeerderen met het gewicht dat wordt toegekend aan de “overige factoren”, zodat het niet ondenkbaar is dat een totaal smartengeld van circa € 75.000 wordt vastgesteld. Daarboven komen dan nog leeftijd en opzet/schuld.

Wordt het zo niet vreselijk ingewikkeld gemaakt? Vooralsnog waag ik dat te betwijfelen. Het gaat erom dat onzekere, voor veel discussie vatbare factoren op een zo uniform mogelijke wijze worden benaderd. Er is nu dus een rechtersregeling ontstaan, die nog voldoende ruimte blijft bieden voor individuele afwegingen, maar duidelijk gericht is op het bereiken van rechtseenheid.45) Het is aan de praktijk om daar verder invulling aan te geven.

Een opmerkelijke suggestie doen de onderzoekers om een ander moment te kiezen voor de ingangsdatum van de wettelijke rente die over het smartengeld verschuldigd zou zijn. Hun suggestie is om de ingangsdatum te bepalen op het moment waarop de hoogte van het smartengeld wordt vastgesteld.46) Volgens hen bestaat het risico dat sprake is van overcompensatie door op enig moment het smartengeld vast te stellen voor een gebeurtenis die misschien in een ver verleden ligt en vervolgens daarover nog wettelijke rente te vergoeden vanaf de datum van het incident. Door de actualisering van het smartengeld heeft al een verhoging plaatsgevonden, die niet het niveau van het smartengeld op het moment van de gebeurtenis weerspiegelt. Dit lijkt toch een normatieve keuze te zijn, die gelijk voer voor discussie oplevert. Op dit moment volsta ik met de opmerking dat de Rotterdamse Schaal geen nieuw niveau van het smartengeld vaststelt, maar een weergave is van de status quo. Bovendien is het moment van vaststelling van het smartengeld geen objectief vaststaand moment, maar juist (sterk) door partijen te beïnvloeden. Het punt van indexatie van smartengeld voor oudere gebeurtenissen zal wel moeten worden geadresseerd. De vraag is of dat op deze manier moet. Uit de slottekst van de nu vastgestelde aanbevelingen blijkt dat daar nog aan gewerkt wordt. Misschien is het goed om daarop te wachten.

Einde aan de stilstand?

Met alle loftuitingen over de Rotterdamse Schaal zou men bijna uit het oog verliezen dat op één punt nog geen stappen worden gezet: de structureel lagere bedragen voor smartengeld in Nederland in vergelijking met het buitenland. De onderzoekers hebben de Rotterdamse Schaal opgesteld door de Engelse bedragen (op wetenschappelijke gronden) te vermenigvuldigen met 0,56. Dat lijkt me nogal een significant verschil, maar dat is dus de neerslag van de stilstand in het smartengeld. Hierboven noemde ik ook al de soms bescheiden bedragen in de C-categorie. Het zal aan de rechtsontwikkeling in de komende jaren liggen of die achterstand wordt ingelopen. Het blijft dus afwachten wat de rechtspraak (en de buitengerechtelijke praktijk) gaat doen met de bandbreedtes. Die zullen door de rechtspraak wel worden geactualiseerd, maar dat is niet de ‘oplossing’ voor de stilstand. Het zal dus ook grotendeels van de motivering van uitspraken afhangen of op dit terrein vooruitgang kan worden geboekt. 

Betekent dit nu het einde van de Smartengeldgids? Wel in zijn huidige vorm. Maar juist de nieuwe benadering van het smartengeld met behulp van de Rotterdamse Schaal en de aanbevelingen vraagt om vergelijkingsmateriaal. Publicatie en rubricering van uitspraken blijft ook in de toekomst nodig. 

 

1)    Bijlage bij VR 1959/6.

2)   Th. L. van der Veen, ‘Uitspraken van Nederlandse rechters over vergoeding van immateriële schade (smartegeld)’, VR 1959, p. 101.

3)   Bijlage bij VR 1964/6.

4)   Zie hiervoor ook de terugblik van Th.L. van der Veen in 1993: ’‘Hoeveel smartegeld?’ Een blik achterom en naar de toekomst’,

VR 1993, p. 200.

5)   HR 17 november 2002, VR 2001/9; NJ 2001, 215 m.nt. A.R. Bloembergen.

6)   Van der Veen, ‘Ruim 100 nieuwe smartegeld-uitspraken’, VR 1976/6 p. 2.

7)   Voorwoord bij de smartengeldgids 1979, VR 1979/6, p. 122 e.v.

8)   Zie hierover ook uitgebreid A. Kolder, ‘Meer grip op art. 6:106 BW in personenschadezaken’, Smartengeldgids 2023, p. 8.

9)   Bekend is de zogenoemde Verbondsformule van het Verbond van verzekeraars, uitgave in 1984; een normering voorgesteld voor arbeidsongevallen door Giesen, Kamminga en Barendrecht in M. Faure & T. Hartlief (red.), Schade door arbeidsongevallen en nieuwe beroepsziekten, Den Haag: BJU 2001.

10)  Quality Adjusted Life Years. Zie hierover uitgebreid L.T. Visscher: ‘Over stagnatie, achteruitgang, bevriezing en stilstaand water: hoe hoog zou smartengeld bij letselschade eigenlijk moeten zijn?’, Smartengeldgids 2015, p. 6 e.v.

11)  C.C. van Dam, ‘Begroting en verhoging van het smartengeld’, VR 2013/93.

12)  G.J.M. Verburg, Vaststelling van smartengeld, (diss. Universiteit Leiden), Deventer: Kluwer 2009, p. 225-229.

13)  S.D. Lindenbergh, Smartengeld tien jaar later, Deventer: Kluwer 2008, par. 5.2.2.

14)  HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, m.nt. J. Spier.

15)  Vgl. A.J. Verheij, ‘Twee benaderingen van vergoeding van immateriële schade’, VR 2013/94.

16)  Lindenbergh 2008, par. 5.5; W. van Boom, S. Lindenbergh, Het verdriet van Nederland – Over standaardisering bij de vaststelling van smartengeld in: Philipsen e.a. (red.), By the end of the day, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 1.5; N. Frenk, ‘De waarde van smartengeld’, VR 2013, p.252; Van Dam 2013, p. 261.

17)  Van Dam 2013, p 262-263, Frenk 2013, p. 252.

18)  S.D. Lindenbergh, ‘Smartengeld: ontwikkeling en stilstand’, Smartengeldgids 2006, p. 10.

19)  G. de Groot, ‘Smartengeld en de rechter’, VR 2013/095, p. 281-282.

20)  Vgl S.D. Lindenberg, ‘De waarde van smartengeld’, VR 2013/097, p. 291.

21)  Vgl. T. Hartlief: ‘Smartengeld in Nederland anno 2012: tijd voor een steen in stilstaand water?’, Smartengeldgids 2012, p. 10, 11.

22)  Vgl. A.J. Verheij, ‘De hoogte van smartengeld: een vergelijking tussen Nederland en Duitsland’, Smartengeldgids 2019, p. 6 e.v.

23)  Zie Verheij 2019, p. 10.

24)  Lindenbergh 2006, p. 10, die wijst op de Nederlandse zuinigheid.

25)  Hartlief 2012, p. 10. 

26)  Zie o.a. Van Dam 2013, 261.

27)  E.W. Bosch, ‘Begroot de strafrechter de hoogte van het smartengeld anders dan zijn civiele collega?’, Smartengeldgids 2024, p. 6 e.v.

28)  Vgl A.J. Verheij, ‘Smartengeld bij zeer ernstig en blijvend neurologisch letsel’, Smartengeldgids 2022, p. 7

29)  Bosch 2024, p. 8.

30)  Zie ook Frenk 2013, p. 253.

31)  Zie de mededeling op de website van De Letselschaderaad: ‘Conceptrichtlijn Rente en Inflatie geen officiële status’, waar wordt vermeld: “Om een zo breed mogelijk draagvlak te bewerkstelligen, is volgens de vaste werkmethodiek van de Permanente Commissie Normering in het najaar van 2017 een concept van de Richtlijn Rente en Inflatie aan de achterbannen voorgelegd voor externe feedback. Uit deze consultatie kwamen zodanig zwaarwegende bezwaren naar voren dat de Richtlijn niet kon worden afgerond en is er dus geen sprake van een bestaande, door een ieder gedragen Richtlijn Rente en Inflatie.”

32)  M.R. Hebly, S.D. Lindenbergh, W. Oudijk en A.I. Schreuder: De Rotterdamse schaal, ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen, Research Memorandum 4, september 2025, Raad voor de Rechtspraak, p. 9-10. 

33)  De schaal is te raadplegen op www.rotterdamseschaal.nl en via www.rechtspraak.nl

34)  Hebly e.a. 2025, p.11.

35)  Volgens Hebly e.a. zou dit gebaseerd zijn op een analyse van de bestaande Nederlandse rechtspraak, Hebly e.a. 2025, p. 34.

36)  Het voert nu te ver om hier diep op in te gaan, maar ik verwijs naar ‘verkrachting, tamelijk ernstig’ (= eenmalig) €  2.500,- tot € 7.500,-; ontucht met binnendringen bij een kind tot 16 jaar ‘ernstig’ (= o.a. vaginaal of anaal binnendringen met een geslachtsdeel) € 6.000,- tot € 12.500,-.

37)  Hebly e.a. 2025 p. 58, 59.

38)  Rotterdamse Schaal 2025, inleiding, p. 7,8.

39)  Rotterdamse Schaal 2025, p. 8.

40)  Hebly 2025, p. 58.

41)  E. Bosch op LinkedIn: opzet zwaarder laten wegen in Rotterdamse Schaal? Concrete voorstellen van Hartlief en de ASP.

42)  T. Hartlief, ‘Straf smartengeld’, NJB 2025, 2519.

43)  Besluit vergoeding affectieschade, art. 1.

44)  Van der Veen, 1959, p. 103.

45)  Zie ook het visionaire pleidooi voor een dergelijke rechtersregeling van Verburg 2009, p. 261 e.v.

46)  Rotterdamse Schaal, p.8; Hebly e.a. 2025 p. 60-62.

 

Bijlage bij 'Begroting van smartengeld in beweging'

 

Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW 

Aanbevelingen hanteren Rotterdamse Schaal 

 

Geldend vanaf 1 januari 2026 *

(zie: https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-proce…)

 

Inleiding

In opdracht van de Raad voor de Rechtspraak hebben onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam een model beschreven om tot een meer eenduidige vaststelling van smartengeld te komen. Dit model, dat gebaseerd is op de Engelse (en Ierse) Guidelines for the Assessment of General Damages in Personal Injury Cases (verder: de Guidelines), staat inmiddels bekend als de Rotterdamse Schaal. In dit model is het smartengeld naar aard en ernst van het letsel of normschending gegroepeerd en wordt per categorie een bandbreedte aangegeven waarbinnen door de rechter het passende bedrag kan worden gevonden. Bij het opstellen van de Rotterdamse Schaal is in beginsel uitgegaan van het huidige niveau van smartengeld zoals toegewezen door de Nederlandse rechter. In de Rotterdamse Schaal zijn geen duidelijke normatieve keuzes gemaakt, maar worden die wel voor een deel benoemd.

Een rechterlijke werkgroep, bestaande uit civiele en strafrechters, heeft zich gedurende de periode van het hierboven genoemde onderzoek gebogen over de vraag hoe de rechtseenheid bij de begroting van smartengeld verder kan worden vergroot. De normatieve keuzes die buiten het onderzoek bleven, zijn vervolgens ingevuld. De aanbevelingen van de werkgroep zijn geaccordeerd door de landelijke overleggen vakinhoud voor zowel civiel als straf. Hiermee kan een goede aanvulling worden gegeven op de Rotterdamse Schaal, waardoor één set aan handreikingen voor rechters ontstaat. 

Tenzij uit de aard van het verwijt voortvloeit dat met een bepaalde factor al rekening is gehouden (zoals opzet in de C-categorie) zijn de aanbevelingen toepasbaar op alle onderdelen van de Rotterdamse Schaal.

Opmerking verdient dat deze aanbevelingen geen binding voor de rechter opleveren. Die zal steeds, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, in een individuele zaak tot een billijke vergoeding van smartengeld moeten komen. Deze aanbevelingen hebben tot doel de rechter daarbij behulpzaam te zijn.

 

Aanbeveling 1: de begroting van smartengeld voor letsel wordt benaderd via de methode van de Rotterdamse Schaal, waarbij de grenzen van de bandbreedtes overschreden kunnen worden als de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, waarbij een goede, daarop gerichte motivering van belang is.

Toelichting:

In het verleden werd voor de gevalsvergelijking teruggegrepen op de Smartengeldgids van de ANWB. Met een toenemende diversiteit aan uitspraken, waarbij vaak ook veel aandacht werd besteed aan bijkomende effecten van opgelopen letsel, ontstond een onoverzichtelijk beeld, waarbij ook grote verschillen zichtbaar waren in de benadering van het smartengeld door civiele en strafrechters. Daarnaast was de wijze waarop het letsel kon worden gepresenteerd en de maatschappelijke kring van het slachtoffer soms een dominante factor. Er ontstond een duidelijke behoefte aan een meer eenduidige benadering.

Kenmerkend voor de Rotterdamse Schaal is dat per letselcategorie of normschending gewerkt wordt met bandbreedtes. Er wordt daarmee een duidelijke suggestie gedaan tussen welke bedragen het smartengeld zich bij een bepaald soort letsel of normschending zal kunnen bewegen. Aan de hand van de factoren die genoemd worden in de Rotterdamse Schaal kan tot een verantwoorde keuze worden gekomen. Het staat een rechter niet alleen vrij om binnen de bandbreedte een passend bedrag te kiezen, maar ook om een bedrag vast te stellen dat buiten de bandbreedte ligt. In het kader van de rechtseenheid is een daarop gerichte motivering met name in dat tweede geval van groot belang, omdat die zicht kan geven op ontwikkelingen of inzichten waarmee (in de toekomst) rekening kan/moet worden gehouden. 

Door een grotere nadruk te leggen op de aard van het letsel of normschending, zoals in de Rotterdamse Schaal nu gebeurt, mag verwacht worden dat de (maatschappelijke en persoonlijke) neveneffecten van het letsel een minder sterke rol zullen spelen dan nu het geval is. Die neveneffecten kunnen worden geacht te zijn verdisconteerd in de bandbreedtes. Als die toch een belangrijke rol spelen in een zaak is een daarop gerichte specifieke motivering van groot belang.

 

Aanbeveling 2: bij blijvend letsel in de A- en B-categorie wordt bij kinderen tot en met 14 jaar het smartengeld met 25% verhoogd en voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar met 15%, waarbij de bandbreedte (aan de bovenzijde) geen begrenzing vormt.

Toelichting:

Het maakt verschil op welke leeftijd het letsel wordt opgelopen. Een jong kind heeft nog een heel leven met de gevolgen van blijvend letsel te kampen en dat legt gewicht in de schaal. In mindere mate geldt dat, omgekeerd, voor ouderen. Zij hebben immers een heel leven kunnen doormaken zonder de gevolgen van het letsel te moeten ervaren. Een tussengroep wordt gevormd door jongeren en jongvolwassenen. De aanbeveling is dan ook om bij kinderen tot en met 14 jaar het smartengeld met 25% te verhogen en voor jongeren en jongvolwassenen van 15 jaar tot en met 29 jaar met 15%. Deze opslag wordt toegepast nadat op “neutrale” basis (als was het slachtoffer een volwassene) een smartengeldbedrag is bepaald. Dit kan ertoe leiden dat de bovenzijde van de bandbreedte wordt overschreden. Deze keuze wordt bewust gemaakt omdat de aard en ernst van het letsel bij een jong slachtoffer daartoe aanleiding kan geven.

 

Aanbeveling 3: bij ernstige verwijtbaarheid c.q. opzet op het toebrengen van letsel in de A- en B-categorie van de Rotterdamse Schaal kan het smartengeld worden verhoogd met een percentage dat ligt tussen de 10 en 25%, waarbij het laatste percentage is gereserveerd voor uiterst verwijtbare gedragingen. Bij risicoaansprakelijkheid zal geen opslag plaatsvinden. De bovenzijde van de bandbreedte vormt bij toepassing van deze correctie geen begrenzing. 

Toelichting:

Veel letsel ontstaat als gevolg van handelen of nalaten met een zekere en soms aanzienlijke verwijtbaarheid. Er zal immers aan de dader een verwijt moeten kunnen worden gemaakt (onrechtmatige daad/tekortkoming/schuld/opzet) om tot aansprakelijkheid te komen (dit geldt overigens niet altijd, zoals bij risicoaansprakelijkheid). In de Rotterdamse Schaal wordt hiermee geen rekening gehouden. Er wordt uitgegaan van een “neutrale” veroorzaking van het letsel. Bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld dient de rechter evenwel de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt mee te wegen. Verondersteld wordt dat het voor de benadeelde verschil maakt of het letsel opzettelijk is toegebracht. Die laatste categorie, veel voorkomend in strafzaken, heeft als element dat de verdachte opzettelijk leed heeft toegevoegd aan het slachtoffer. Het gaat hier niet zozeer om een element van vergelding, maar om de gedachte dat mensen meer leed ervaren van opzettelijk toegebracht letsel dan van letsel als gevolg van handelen dat weliswaar verwijtbaar maar niet opzettelijk is. Om met het smartengeld adequaat het leed van de benadeelde te kunnen compenseren en genoegdoening te kunnen bieden, dienen de aard van de aansprakelijkheid en de mate van verwijtbaarheid dus te worden meegenomen bij het vaststellen van de hoogte daarvan. Met de aanbeveling kan ook in civiele zaken rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid. Het voordeel hiervan is dat een meer uniforme beoordeling ontstaat, ongeacht of sprake is van een civiele of strafzaak.

Wel is een genuanceerde benadering nodig van de vraag of sprake is van opzettelijk toegebracht letsel en hoe dat dan moet worden verdisconteerd. Het is lastig om een goede richtlijn te geven om recht te doen aan de mate van opzet of ernst van het te maken verwijt. Een vast percentage is in zo’n situatie te rigide en biedt onvoldoende ruimte voor een individuele afweging. Zowel bij opzet als bij civiele verwijtbaarheid is een grote schakering van gevallen mogelijk, waarbij het beantwoorden van de vraag of dit tot een hoger smartengeld moet leiden lastig is. De aanbeveling strekt ertoe om aan de rechter bij beantwoording van die vraag zoveel mogelijk ondersteuning te geven. Omdat altijd een zekere vorm van verwijt gemaakt kan worden (behalve dus bij risicoaansprakelijkheid) zal, als al besloten wordt om gewicht toe te kennen aan de intentie waarmee het letsel is toegebracht, een verhoging van het smartengeld kunnen plaatsvinden met een percentage dat ligt tussen de 10% en 25%. Dit laatste percentage is gereserveerd voor uiterst verwijtbare gedragingen. Evenals de opslag voor kinderen en jeugdigen komt dit percentage boven op het smartengeld dat op neutrale wijze is bepaald en kan dit ertoe leiden dat de bovenzijde van de bandbreedte wordt overschreden. Ook dit is een bewuste keuze.

De C-categorie in de Rotterdamse Schaal is anders van opbouw dan de categorieën A en B. Er is immers sprake van persoonsaantasting, gebaseerd op bepaald strafwaardig handelen. Het ligt niet voor de hand om dan nog extra toepassing te geven aan deze opslag. Individuele situaties kunnen vanzelfsprekend tot een andere afweging leiden, wat een daarop gerichte motivering noodzakelijk maakt.

 

Aanbeveling 4: de correcties voor leeftijd en opzet worden niet met elkaar vermenigvuldigd, maar los van elkaar bepaald, waarna de uitkomsten worden opgeteld.

Toelichting:

Niet denkbeeldig is dat beide hierboven genoemde correctiefactoren zich in één zaak zullen voordoen. In dat geval is het niet de bedoeling dat de percentages worden vermenigvuldigd (bijvoorbeeld basisbedrag conform Rotterdamse Schaal x 25% voor een jong kind x (maximaal) 25% voor opzet) maar dat deze twee correcties onafhankelijk van elkaar worden vastgesteld.

 

Aanbeveling 5: bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) wordt uitgegaan van het zwaarste letsel: dat weegt volledig mee; het in ernst tweede letsel weegt voor 50% mee. De aldus gevonden bedragen worden opgeteld. (Het opgetelde bedrag wordt zo nodig vermeerderd met de hiervoor genoemde opslagen voor leeftijd en opzet/ernstige verwijtbaarheid.) Het “derde” of volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld.

Toelichting:

Denkbaar is dat een slachtoffer meerdere letsels heeft opgelopen die elk afzonderlijk zijn gerubriceerd in de Rotterdamse Schaal, bijvoorbeeld blindheid aan één oog en een onderbeenamputatie. Die letsels kunnen afzonderlijk van elkaar voorkomen. Als geen sprake is van samenhang tussen de verschillende letsels (een neurologisch letsel kan leiden tot een veelheid van uitval en is dus wel samen te nemen) zou in beginsel cumulatie kunnen plaatsvinden van de smartengeldbedragen van die afzonderlijke letsels. Dat kan leiden tot een onevenwichtige vergoeding. In het onderzoeksverslag bij de Rotterdamse Schaal wordt een tweetal methodes beschreven hoe een rechter met deze problematiek kan omgaan (de stand back methode en het proportionaliteitsbeginsel), maar die beschrijving biedt onvoldoende houvast om te komen tot een meer uniforme wijze van vaststelling van smartengeld. De aanbeveling heeft tot doel de rechter bij de weging van twee (of meer) afzonderlijke letsels een concreet handvat te bieden. Het wordt passend geacht om bij de situatie van meerdere, niet samenhangende letsels allereerst uit te gaan van het zwaarste letsel. Als dat bedrag is vastgesteld, dient te worden gekeken naar het letsel dat als tweede in ernst is te beschouwen. Ook dat bedrag wordt vastgesteld, maar wordt vervolgens verminderd met 50%. Eventuele derde en volgende letsels wegen in beginsel niet mee, maar kunnen wel als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Dit kan leiden tot een hoger bedrag binnen de bandbreedte. Ook deze methode, die elementen in zich heeft van het proportionaliteitsbeginsel, is in zekere zin grofmazig, maar het doel is rechters te ondersteunen in het streven op een zo uniform mogelijke en in de praktijk goed hanteerbare wijze het smartengeld vast te stellen. Ook hier geldt dat het een rechter steeds vrij staat in een individueel geval een andere afweging te maken, waarbij een daarop gerichte motivering wordt gegeven.

 

Aanbeveling 6: bij de bepaling van het smartengeld wordt rekening gehouden met de duur van het letsel. Kortdurend letsel betekent herstel binnen zes maanden (waarbij een litteken kan achterblijven). Langdurig herstel heeft een grens tot twee jaren en blijvend letsel is het gevolg dat na twee jaren nog bestaat.

Toelichting:

In de Rotterdamse Schaal wordt geen duidelijke lijn getrokken tussen blijvend en tijdelijk letsel. In een enkele rubriek (bijv. nek- en schouderletsel) wordt als relevante factor de herstelperiode genoemd, maar in andere rubrieken ontbreekt die. Hier lijkt geen andere gedachte achter te zitten dan dat dit een uitvloeisel is van de opzet van de Engelse Guidelines. Dit betekent dat de vraag of een letsel blijvend of tijdelijk is, in de Rotterdamse Schaal in veel gevallen niet wordt meegewogen.

Niet iedere vorm van letsel is blijvend en bij de afwikkeling van de schade wordt soms erg lang gewacht tot er een “medische eindtoestand” is bereikt. Die eindtoestand heeft veelal geen betrekking op het letsel zelf, maar op de beperkingen die het meebrengt en zich vertalen in materiële schade. Het begrip medische eindtoestand is dan ook voor de vaststelling van de aard van het letsel van ondergeschikt belang. De hoogte van een vergoeding is afhankelijk van de duur dat het letsel aanwezig is. Herstel op korte termijn levert een lager bedrag op dan herstel dat geruime tijd duurt. Nog ernstiger is het als het letsel niet (volledig) herstelt. Voor de toekenning van een smartengeldvergoeding in geval van blijvend letsel is dan uiteindelijk niet meer maatgevend hoe de eerste periode eruit heeft gezien, maar wat het uiteindelijke resultaat is: de aard van het letsel op lange termijn. Door het hanteren van grenzen tussen kort, langer en blijvend letsel ontstaat ook duidelijkheid.

Duidelijke, voor de praktijk hanteerbare criteria zijn hierbij onontbeerlijk. Gebaseerd op de rechtspraktijk, kan als kortdurend letsel worden beschouwd, het letsel dat herstelt binnen zes maanden (een litteken kan aanwezig blijven), als langdurig letsel elk letsel met een hersteltijd tot twee jaren en blijvend letsel elk letsel dat zich na twee jaren nog steeds voordoet. Voor wat betreft de eerste categorie is hiermee aansluiting gezocht bij de Richtlijn Licht Letsel van de Letselschaderaad. Voordeel van duidelijke grenzen is daarnaast een verkorting van het debat tussen medici. In de praktijk van de strafrechter zal het met regelmaat voorkomen dat een oordeel moet worden gegeven over de ernst van het letsel terwijl nog geen twee jaren zijn verstreken. Het komt dan aan op een reële inschatting van de ernst van het letsel op basis van de aanwezige medische informatie. Waar het gaat om littekens na herstel binnen zes maanden geldt dat uiteraard de ruimte bestaat, bijv. bij sterk ontsierende littekens, het letsel toch als blijvend aan te merken.

 

Evaluatie en actualisering

De bedragen in de Rotterdamse Schaal moeten periodiek worden geëvalueerd. Voor de hand ligt dat de bedragen worden geïndexeerd, maar als op basis van rechterlijke uitspraken de indruk ontstaat dat de bandbreedtes of de aanbevelingen niet passend zijn zal dat wellicht ook tot heroverweging kunnen leiden. In dit kader wordt nog gewerkt aan een aanbeveling over de verschuldigdheid van de wettelijke rente. De Rechterlijke werkgroep Normering Smartengeld is voornemens de Rotterdamse Schaal periodiek te updaten en nieuwe bedragen vast te stellen (telkens afgerond op ronde getallen). Hierbij zullen ook de factoren in de Rotterdamse Schaal en deze aanbevelingen nader kunnen worden bezien, mede aan de hand van ontwikkelingen in de rechtspraktijk.