1974 | Duitse vrouw | 75 jaar | gepensioneerd | 13-10-2012

 
Nummer: 
1974
Geïndexeerd bedrag : 
€ 45.225,-
Oorspronkelijk toegewezen bedrag: 
€ 45.000,-

Tijdens een vakantie op Ameland met haar man, kinderen en kleinkinderen is haar een ernstig ongeval overkomen. Zij is daarbij frontaal aangereden door een automobilist die van de weg is geraakt en op het naast gelegen fietspad terecht is gekomen, waar zij op dat moment fietste. Zij was toen 75 jaar. Als gevolg van de aanrijding heeft zij meervoudig ernstig letsel opgelopen, op welk letsel de Rb. acht heeft geslagen bij het vaststellen van het smartengeld, te weten: een gebroken rechterpols, rechter bovenarm en knie en een drievoudige breuk van haar linkerenkel. Ook had ze meerdere diepe snijwonden en verwondingen aan haar gezicht en was er sprake van gebitschade. Ze heeft na het ongeval geruime tijd in levensgevaar verkeerd. Ze is per traumahelikopter overgebracht naar het ziekenhuis in Groningen. Haar situatie was zeer instabiel en het was de vraag of zij in leven zou blijven. Ze is 7 dagen kunstmatig in coma gehouden op de intensive care en zij heeft 6 weken in het ziekenhuis gelegen. Ze heeft een aanzienlijk aantal operaties moeten ondergaan (namelijk 27), waarvan het merendeel onder algehele narcose. De operaties waren nodig vanwege het orthopedisch letsel maar ook vanwege het feit dat haar verwondingen moeizaam heelden. Gedurende een periode van 6 maanden was ze vrijwel volledig afhankelijk van anderen. Zij heeft onder behandeling gestaan van talloze medisch specialisten, minstens 16. Ze heeft 2 jaar intensief moeten revalideren. Ze ervaart desondanks nog dagelijks pijn, waaronder zenuwpijn. Zij gebruikt dagelijks (pijnstillende) medicatie. Ook is zij nog steeds onder behandeling van een fysiotherapeut en doet zij dagelijks oefeningen. Het letsel levert ook beperkingen op voor haar dagelijks functioneren. De verschillende letsels geven beperkingen die horen bij een f.i. van 16%. Ondanks dat partijen in overleg hebben afgezien van een medische expertise door een orthopeed, waardoor onzeker is hoe een en ander zich in de toekomst zal ontwikkelen, meer in het bijzonder of haar gezondheid zal verslechteren door artrose, is een dergelijke mate van blijvende beperkingen evengoed al aanzienlijk. De gevolgen van het ongeval hebben bovendien grote impact op de wijze waarop zij haar dagelijks leven invulde. Zij haalde veel levensgeluk uit actieve en sportieve activiteiten (skiën, bergwandelingen in groepsverband, fietsen, turnen, atletiek), terwijl de blijvende beperkingen haar nu verhinderen haar leven nog op die manier in te richten. Op dat punt is sprake van een grote mate van gederfde levensvreugde en veel verdriet. Dat ze wel weer wandelingen van 5 of 10 km kan maken, acht de Rb. van wezenlijk andere orde dan hetgeen waartoe zij vóór het ongeval op actief en sportief gebied in staat was. Zo had zij een paar weken voor het ongeval nog een berg van 3.000 meter hoogte bestegen. De Rb. is van oordeel dat haar leeftijd en daarmee de duur van “het lijden” geen significante invloed heeft op de omvang van de vergoeding, in die zin dat die vergoeding lager zou moeten uitvallen omdat sprake is van een beperkte lijdensduur. Met de vrouw is de Rb. van oordeel dat, gezien de hoge mate waarin zij nog actief en sportief in het leven stond, een redelijke verwachting is dat zij nog een significant aantal jaren in kwalitatief goede gezondheid had kunnen leven als het ongeval niet had plaatsgevonden, waarin actief bezig zijn en sportieve activiteiten een grote rol gespeeld zouden hebben. Dat is haar door het ongeval ontnomen.
De Rb. kent verder gewicht toe aan het feit dat, ondanks dat de exacte toedracht onopgehelderd is gebleven, het ongeval het gevolg is van een ernstige normoverschrijding, namelijk het (frontaal) inrijden op een fietser die zich op een naast de weg, en daarvan afgescheiden gelegen fietspad bevond.
Over de gevalsvergelijking merkt de Rb. op, dat kijkend naar het meervoudige letsel dat ze heeft opgelopen, dat letsel niet in één van de zwaarste categorieën van letsel valt zoals die in het Smartengeldboek worden gehanteerd, maar in de categorie ernstig letsel. Andere aspecten (dan het letsel en het percentage f.i.) sluiten volgens de Rb. echter wel meer aan bij de naast hogere categorie van ernstig letsel, namelijk zwaar letsel. Het gaat dan om de duur van de ziekenhuisopname en revalidatie, de periode waarin ze afhankelijk was van hulp en verzorging, het feit dat zij in levensgevaar is geweest en in coma heeft gelegen, en dat er sprake is geweest van een zeer langdurig genezingsproces. In het buitenland toegekende bedragen zijn niet beslissend voor de bedragen die de Nederlandse rechter kan toekennen. In zoverre is in mindere mate van betekenis dat ze billijk vindt wat haar volgens de Duitse regelgeving zou kunnen worden toegekend.
Gezien de discussie die momenteel gaande is over de hoogte van de vergoedingen voor immateriële schade zal de Rb. ook dat bij de bepaling van de omvang van het smartengeld betrekken, zij het wel in mindere mate dan de vrouw voorstaat, maar wel in die zin dat het een enigszins verhogend effect heeft. De Rb. benadrukt dat met deze beschikking in deelgeschil het totale bedrag aan smartengeld is bepaald en dat daarbij dus geen rekening is gehouden met het of enig bedrag dat reeds als voorschot is voldaan.